• vakorganisatie met Bijbelse visie
  • brede dienstverlening
  • veel voordeel voor leden

Column 'Een beker koud water...'

12 AUGUSTUS 2016

Het is woensdagavond, 20 juli, 20.35 uur. We beleefden vandaag de warmste dag van het jaar. Het was tropisch, het ís tropisch. Een aantal buien heeft de grootste hitte verdreven maar nog altijd geeft de thermometer in de auto 30.5 graden aan.

Ik ben aan het werk en op weg naar een lieve oude dame. Ik parkeer mijn auto op de oprit naast haar huis, snuif nog heel even de frisse lucht van de airco op en stap dan uit. Lopend naar de voordeur zoek ik haar voordeursleutel op, nummer 31 is het. Ik open de voordeur, stap op de mat en roep: “Goedenavond!” Direct valt mij op dat de traplift bovenaan staat; een teken dat mevrouw alvast naar boven gegaan is. “Vanwege de warmte”, bedenk ik me. Ik loop naar de woonkamer, pak de medicatie die zij volgens afspraak krijgt en ga daarna door naar de keuken. Ik laat de kraan een paar minuten doorlopen en vul dan een flesje spa blauw met heerlijk koud water. Uit het kastje boven de gootsteen pak ik een beker. Met oor heeft mevrouw het liefst, zo weet ik inmiddels…

Buiten is het warm, maar de warmte binnen valt pas echt als een deken over mij heen. In de hal werp ik een snelle blik in de spiegel. Ik zie mezelf. Verhit, druppeltjes zweet parelen op mijn neus. In een snelle beweging veeg ik ze weg en dan loop ik de trap op…

Langs de traplift wurm ik me naar boven, mijn handen vol met spullen. En dan ben ik bij haar. Ze ligt op bed, helemaal uitgeteld. Haar fragiele gestalte is zichtbaarder dan ooit. Ze kijkt me glazig aan en zegt: “Oh Annemarie, ben jij het. Wat ben ik blij dat je er bent...” Ze klinkt mat, vermoeid. Normaal gesproken zou ik bij haar bed neergezakt en een gesprek aangegaan zijn. Nu denk ik maar één ding: “water, koud water...”

Ik loop naar de douche, laat ook daar de kraan lopen en maak een ijskoud washandje voor haar. Ze ziet me er mee aankomen en dan breekt ze. Ze huilt, wanhopig als ze is. Ik probeer haar wat te sussen en dep haar voorhoofd. Het zweet gutst inmiddels ook van míjn voorhoofd maar ik voel het niet. Het is niet van belang, straks koel ik wel weer af in de auto. Ik druk mevrouw een glas water in haar handen en zeg zachtjes: “Toe, drink maar...” Het washandje maak ik vier keer opnieuw koud en even zoveel keren dep ik haar rimpelige gezicht. Ze zucht diep, het huilen wordt minder, ze komt weer wat tot rust. Ik ga naast haar zitten en dan valt mijn blik op de zoom van haar nachtjapon. Gerafeld. De slierten hangen er aan. Even later lachen we samen als ze vertelt dat ze ‘m veel te lang en veel te warm vond en er dus gewoon de schaar in gezet heeft. Zonder nadenken heeft ze ‘m afgeknipt. Ze glimlacht weer, gelukkig!

Op weg naar de volgende cliënt denk ik aan haar terug. En realiseer ik me: wat heb ik toch een prachtige baan. Wat ben ik bevoorrecht. De kleinste dingen zijn vaak van het grootste belang. Een beker koud water en een fris washandje; ogenschijnlijk twee simpele dingen. Voor mij hebben ze echter een nieuwe dimensie gekregen. Ze staan symbool voor mijn werk in de zorg. Voor dienstbaarheid. Voor géven, zonder iets terug te verwachten...



Dit column is geschreven door Annemarie, wijkziekenverzorgende in de thuiszorg.

Delen