• vakorganisatie met Bijbelse visie
  • brede dienstverlening
  • veel voordeel voor leden

Column 'Ik ben wat ik doe'

12 MEI 2017

Vanmorgen stond ik in de rij bij de kassa van een bekende Duitse supermarkt. Een oude man stond voor me met een karretje boodschappen. Hij mopperde tegen een mevrouw achter hem op de snelheid van de cassières en op het feit dat er geen vierde kassa bij kwam. De vrouw achter hem vond het ook geen stijl en geen service. Na het afrekenen keek de cassière -die toevallig bij mij in de straat woont- op de bon en ineens stond ze op, alsof er een punaise op haar stoel lag. ‘Meneer, wat is dat daar?’ Onder een paar plastic tasjes in zijn karretje pakte ze drie pakken worstjes en duwde ze hem onder zijn neus. ‘Dit is niet de eerste keer hè?’ Ze beende weg, de boosheid was af te lezen aan haar ferme stappen, en kwam terug met een bewaker. De man stond inmiddels hard stond te zuchten met een rood hoofd. De bewaker nam de man apart in een hokje en even later moest hij de worstjes betalen en droop hij af. De dief. Ik zei tegen de cassière toen ik aan de beurt was: ‘Ik benijd je niet’ Ze reageerde wat schouderophalend. Ze vroeg: ‘Werk jij ook?’ Ik zei: ‘Ja, ik ben maatschappelijk werker.’ Waarop ze reageerde: ‘Nou dan zal je ook wel eens wat meemaken’. Ik antwoordde: ‘Haha, ja, nou misschien is dit alvast een potentiële klant’.

Nadat we elkaar gedag hadden gezegd sprong ik weer op mijn fiets, langs jonge eendjes en ineens flitste het door me heen, hoezo de vraag: ‘Werk je ook?’ Werk ik alleen maar als ik betaald werk? En als ik stoer zeg: ‘Nee, ik zorg voor de kinderen’ wat gaat er dan in mij om? Ik merk dat ik me best lekker voel als ik kan zeggen: ‘Ik ben maatschappelijk werker’ misschien wil ik nog liever zeggen: ‘Ik werk twee dagen als neurochirurg’.

En toch en toch… toen ik nog thuis ‘zat’ (u leest het goed) was ik een keer op een receptie van een vriendin die promoveerde. Ik zat aan tafel naast een makelaar, dus best een gewoon mannetje in vergelijking met die vriendin. Hij vroeg me: ‘En wat doe jij?’ waarop ik antwoordde: ‘Ik ben huisvrouw’. De makelaar werd rood en zei ‘oh ja, eh leuk’ en wist niets meer uit te brengen. Van plaatsvervangende schaamte ging ik maar vertellen wat Pieter, mijn man, voor de kost deed. Ik ga nu nog blozen als ik er aan terug denk.

Het doet me blijkbaar wat om te kunnen zeggen wat ik doe, daardoor krijg ik erkenning en dat wil ik zo graag. Erkend worden door anderen, zelfs door de mensen uit de straat, dat ik toch niet achterlijk ben als christen en als moeder van vijf kinderen en dat ik eigenlijk best wel een leuk mens ben en dat ik ook werk en dat ik… Een pijnlijke constatering.

Kan ik leven van de genade van God? Van Zijn liefde voor mij, dat daar al mijn vreugde en vrijheid in ligt en niet in wat ik doe? En dat dit mijn identiteit bepaalt en dat geen schepsel mij van Zijn liefde kan scheiden en dat ik al word ik oud en dement toch waardevol ben? Ik ga met een glimlach de deur uit en de dief met een schichtige blik en een rood hoofd. Arm mannetje, voor een paar van die snertworstjes. Stelen erger dan het zoeken naar erkenning buiten God?



Column geschreven door Vera, werkzaam als maatschappelijk werker te Rotterdam.

Delen