• vakorganisatie met Bijbelse visie
  • brede dienstverlening
  • veel voordeel voor leden

Column ‘Te veel. Te veel? Wat is te veel!?’

22 APRIL 2016

Even kijkt hij me aan en direct daarna gaat zijn blik weer naar de grond. Zijn hoofd wat schuin, een verontschuldigende glimlach op zijn gezicht. “Ik ben tot last zuster.” Hij knikt naar de bank waar zijn schoonzoon zit, en daarna naar de stoel waar zijn vrouw in elkaar gedoken mijn blik probeert te ontwijken. “Het is hen te veel. Ik ben te veel. Ze kunnen het niet meer aan.” En dan huilt hij…

Een kwartier daarvoor had ik bij hen aangebeld. De schoonzoon had open gedaan. Het was de eerste keer dat ik bij hen over de vloer kwam dus het was een beetje aftasten geweest. Van beide kanten wel te verstaan. Wie zijn deze mensen, hoe zijn ze, wat willen ze? En van hun kant: wat is dit voor zuster? Best een spannend en veelbepalend moment, zo weet ik inmiddels uit ervaring. Een eerste indruk is ontzettend belangrijk voor het vervolg. Met die wetenschap in mijn achterhoofd was ik naast hem op een stoel gezakt, heel rustig. Ik had hem eens bemoedigend toegeknikt, glimlachend. En toen heel rustig gevraagd: “Hoe is het met u?”

Eerst was er niet zoveel reactie gekomen van hem. Het waren voornamelijk zijn vrouw en schoonzoon die het woord deden en uitgebreid vertelden hoe moeilijk en zwaar de afgelopen maanden wel niet voor hen geweest waren. Vragen stelde hoefde ik bijna niet, als vanzelf kwam er een waterval aan woorden op gang, die geen einde leek te hebben…

Met een open houding iemand tegemoet treden is een kunst, maar soms ook een gevaar. En dat ging ik gaandeweg steeds meer beseffen. Wat was hier gaande? Mevrouw leek gefrustreerd, en de schoonzoon blij eindelijk eens iemand gevonden te hebben die naar hem luisterde. Maar met iedere zin die zij uitspraken zag ik meneer bij wijze van spreken kleiner worden, in elkaar krimpen. En dát was het moment waarop ik mijn rug rechtte en sprak voor een man die geen woorden meer had…

“Meneer Bakker, wat u in de afgelopen maanden overkomen is, is vreselijk. Maar ik weet zeker, als u alles nog had gekund had u het gedaan, toch?” Zijn hoofd komt langzaam weer omhoog, zijn ogen zoeken de mijne. Hij glimlacht. “Zeker weten Annemarie, maar ik kán het gewoon niet meer.” Zijn hulpeloze blik gaat naar zijn vrouw, alsof hij zeggen wil: “begrijp me dan toch asjeblieft...”

Het is laat geworden die avond. Lange tijd heb ik bij hen gezeten. Ik heb met hen gesproken over alles wat hen bezighield. Ik heb geluisterd, meegedacht, geadviseerd. En vooral ook geprobeerd begrip te kweken bij de naasten van meneer.

Tegen middernacht ben ik naar huis gereden, dit alles overdenkend. En ik realiseerde me: wat is het een zegen als je als mens de wil en de mogelijkheid hebt om je man of vrouw tot het laatst toe thuis te verzorgen. En daarnaast het vertrouwen mag hebben in Hem die het Zelf gezegd heeft: “Zijt dan niet bezorgd tegen de morgen, want de morgen zal voor het zijne zorgen!” Dan is een mens niet snel iets te veel…

Deze column is geschreven door Annemarie, wijkziekenverzorgende in de thuiszorg. 



Delen