• vakorganisatie met Bijbelse visie
  • brede dienstverlening
  • veel voordeel voor leden

Platform Onderwijs 2032 geeft reëel advies

10 OKTOBER 2015

Vorige week presenteerde Paul Schnabel het Hoofdlijnadvies van het Platform Onderwijs 2032 dat in opdracht van staatssecretaris Dekker ideeën heeft geïnventariseerd over de toekomst van het Nederlandse onderwijs. Zoals gebruikelijk in Nederland, pikt de media een dergelijk advies op en gaat er een volstrekt eigen gang mee.
 

Zo kom je in de krant one-liners tegen waarin zinnen uit het rapport uit hun verband worden gerukt èn niet helemaal juist geciteerd. Het AD schrijft: “Leerlingen moeten niet iets leren omdat dat historisch zo is gegroeid.” Het advies zegt het evenwichtiger: “Leerlingen moeten niet alleen iets leren omdat het historisch zo is gegroeid, maar omdat het voor de toekomst van belang wordt geacht.”
 

Politici en andere verantwoordelijken in het onderwijs gebruiken het advies om de eigen politieke stokpaardjes te berijden.
 

Stokpaardjes
Zo was staatssecretaris Dekker er als de kippen bij om te onderstrepen dat kleuters vanaf groep 1 al Engels moeten gaan leren, een beleidspunt waar hij al sinds de zomer van 2013 op hamert. De alinea over de plaats van het Engels is in het advies één van de meest concrete. Dat Sander Dekker juist op dit concrete punt focust en niet in gaat op algemenere ideeën over de toekomst van het onderwijs, kunnen we toch wel een gebrek aan visie noemen.
 

Paul Rosenmöller, voorzitter van de VO-raad, gebruikt het advies ten onrechte om te pleiten voor minder lesuren voor docenten. Het advies komt niet verder dan een aanbeveling om leraren voldoende tijd te geven om de regie over de onderwijsinhoud te kunnen hebben.
 

Serieuze ontwikkelingen
En als we het advies bekijken los van de aandacht van de media of de politiek? Dan zien we een document dat een heel aardig beeld geeft van wat al jarenlang serieuze ontwikkelingen zijn in het onderwijs, ontwikkelingen waar we niet bang voor hoeve te zijn en die we zeker niet zomaar negatief moeten benaderen.
 

De meeste tussenkopjes in het advies zijn dan ook voor het onderwijs vooral open deuren. Ja, natuurlijk is de aandacht voor taal- en rekenvaardigheid niet voor niets, maar stopt het daar niet bij. En natuurlijk zijn digitale en sociale vaardigheden ook heel belangrijk en moet de feitenkennis in een relevante context geplaatst worden. En ook weten we al tientallen jaren dat het nodig is verbindingen tussen vakken te leggen om zo de kennis meer samenhangend te maken en ook dat Engels en digitale vaardigheden voor de toekomst onmisbaar zijn.
 

Allemaal onderwijskundige ontwikkelingen waar veel scholen al mee aan de slag zijn en waar zeker ook al resultaten bij worden geboekt. Ook de christelijke en reformatorische scholen nemen deze ontwikkelingen serieus en maken de overheid steeds weer duidelijk wat de eigen visie en invulling zijn. Hiervoor lijkt zeker begrip te zijn.
 

Godsdienst
Heeft het advies dan helemaal geen verrassingen? Als je goed leest, staan er toch wel interessante dingen in. Zo geeft het advies toe dat godsdienst houvast biedt en dat mensen die dat missen, steeds meer op zichzelf aangewezen zijn. Ook wordt vrij duidelijk toegegeven dat mensen zonder godsdienst opnieuw moeten leren waar hun identiteit ligt. Gezien de maatschappelijke context is het overigens wel begrijpelijk, hoewel jammer, dat vervolgens de waarde van godsdienst voor de samenleving geen positieve aandacht krijgt.
 

Waardig
Veel wezenlijker in het advies is de discrepantie tussen de vrijheid die scholen wordt toegedicht om keuzes te maken die passen bij hun profiel en visie enerzijds en anderzijds de oproep aan de oproep aan de overheid om de kern van burgerschap te definiëren. En juist zo'n oproep maakt het advies discutabel. Welke rol heeft de overheid in het toekomstgericht maken van het onderwijs? En welke vrijheid blijft er voor de scholen over? Het advies benadrukt op diverse plaatsen de vrijheid die scholen hebben om eigen keuzes te maken en is van mening dat leraren een stevige rol moeten spelen bij de uitwerking van de visie. Maar in hoeverre mag de overheid daarbij de kaders bepalen?
 

Natuurlijk is het mooi als we erkennen dat het er niet alleen om gaat dat het onderwijs leerlingen begeleid tot (zelfstandige) volwassenen die behalve vaardig, ook waardig en aardig zijn, maar als de overheid vervolgens moet gaan definiëren wat onder waardig moet worden verstaan, zijn we verder van huis dan ooit.
 

Bronnen:

Delen