• vakorganisatie met Bijbelse visie
  • brede dienstverlening
  • veel voordeel voor leden

RMU presenteert moderne AOW

07 OKTOBER 2009
De AOW is het laatste bolwerk van de Nederlandse sociale verzekeringen dat de tand des tijds redelijk ongewijzigd heeft doorstaan. Sinds het ontstaan van de AOW in 1957 is dit een voorziening waarop iedere ingezetene van 65 jaar en ouder kan rekenen. Omdat de kosten voor de AOW in absolute zin sterk gestegen zijn en in de toekomst nog verder zullen stijgen, komt daar wellicht verandering in. Temeer daar op de overheidsfinanciën moet worden bezuinigd. Bovendien verandert de verhouding tussen het aantal gepensioneerden en werkenden drastisch. Daardoor wordt het draagvlak voor de financiering van de AOW kleiner. Het kabinet wil de pensioenleeftijd gaandeweg verhogen naar 67 jaar. Van de kant van de SER is geen breed gedragen advies gekomen, zodat het kabinet zich op gaat maken voor een ingrijpende wijziging in de AOW. Achtergronden
Het recht op AOW wordt opgebouwd in 50 jaar vanaf de leeftijd 15 jaar. Bij verblijf in het buitenland, tijdens je werkzame leven, wordt de AOW gekort met 2 procent per jaar. De AOW wordt gefinancierd door de belastingplichtige met inkomen uit werk of uitkering, tot de 65-jarige leeftijd. Althans in de oorspronkelijke opzet. De AOW-premie is echter intussen opgelopen tot vrijwel het afgesproken maximum (premie is thans 17,95 procent over maximaal 31.500 euro, het afgesproken maximum is 18 procent). De overheid neemt de rest van de kosten voor de AOW voor haar rekening via de algemene middelen (lees: belastingen). Door de stijging van de welvaart zijn de relatieve kosten in percentage van het BBP overigens redelijk constant (2007: 3,3 procent).

Omdat iedereen er bij leven en welzijn gebruik van kan maken, is het draagvlak voor het in standhouden van de AOW groot. De AOW is voor iedere ingezetene een gelijk bedrag. Een alleenstaande ontvangt 12.700 euro bruto per jaar, een gepensioneerde met een partner 8.700 euro per persoon, dus een echtpaar ontvangt 17.400 euro per jaar.

Omdat het aantal premiebetalers ten opzichte van het aantal pensioengerechtigden relatief afneemt, nemen de kosten toe en wordt de aanslag op de algemene middelen steeds zwaarder. Bezuinigingen zijn, zeker bij oplopende begrotingstekorten, volgens vele economen en andere ingewijden, onvermijdelijk.

Op dit moment circuleren er de volgende oplossingen:

1. Verschuiving van de AOW-gerechtigde leeftijd naar 67 of nog verder.
2. Een flexibele leeftijd met een hogere uitkering naarmate de AOW later ingaat.
3. Een AOW waarvan de hoogte afhankelijk is van het arbeidsverleden
4. Een AOW waarvan de hoogte afhankelijk is van de hoogte van het inkomen en het arbeidsverleden
5. Van omslag naar kapitaaldekking

Visie van de RMU

De visie van de RMU laat zich als volgt samenvatten:

1. Verbetering financieel draagvlak door stimulering arbeidsparticipatie ouderen;
2. Geleidelijke verhoging AOW-leeftijd van 65 jaar naar 67 jaar, ingaande in 2015, over een periode van 24 jaar;
3. Blijvende keuzevrijheid voor moment van ingaan AOW op 65 jaar met aftopping en een compensatie voor mensen met een laag inkomen, maar ook een AOW-plus als beloning als men direct voor 67 jaar kiest;
4. Geleidelijke verdergaande fiscalisering van de AOW, over een periode van 18 jaar;
5. Aanpassing regelgeving die verplicht om op 65 jaar te stoppen;

Bovenstaande visie wordt hieronder verder toegelicht.
Arbeidsparticipatie ouderen verbeteren
De RMU is van mening dat de mens zijn talenten zolang mogelijk moet aanwenden, ten nutte van de maatschappij. Een vaste datum voor pensionering past niet bij dit vertrekpunt. Veel ouderen staan op dit moment buiten het arbeidsproces, veelal door werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. En ouderen die wel werk hebben, hebben bij de huidige economische situatie een grotere kans om te worden ontslagen dan jongere medewerkers, het afspiegelingsprincipe ten spijt. Uit onderzoek van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) en de Universiteit van Utrecht (ESB, september 2009) is gebleken dat driekwart van de werkgevers afvloeiing van oudere werknemers via vervroegd pensioen de meest voor de hand liggende crisismaatregel ziet om de arbeidskosten te verlagen. Zodra oudere werknemers met vervroegd pensioen worden gestuurd zijn ze voor de arbeidsmarkt verloren, blijkt uit het onderzoek. Een overgrote meerderheid van de werkgevers voelt er bij een gedwongen personeelsreductie niets voor om de werknemers die er het laatst bij zijn gekomen als eerste te ontslaan (last in, First out). Voor veel werknemers van 55 jaar en ouder betekent ontslag volgens de onderzoekers dat zij langdurig zonder werk blijven. Een 55-plusser die ontslagen wordt, zit gemiddeld 31 maanden zonder werk, tegen 19 maanden voor de doorsnee werkloze.

De RMU is daarom van mening dat bij de discussie over de AOW met name de arbeidsparticipatie van de ouderen extra aandacht moeten krijgen. De volgende maatregelen kunnen daartoe een bijdrage leveren:

1. De leeftijdsgrenzen in arbeidsovereenkomsten en CAO’s dienen te vervallen.
De huidige beperking van beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 65 jaar die vrijwel overal wordt toegepast, moet wettelijk worden verboden;

2. Zowel werkgevers als werknemers als de overheid spannen zich extra in om het imago van de oudere werknemer te verbeteren. Nog steeds heerst de opvatting dat oudere medewerkers veel kosten, maar naar verhouding minder bijdragen aan de organisatie. Met substantiële financiële prikkels moet het voor werkgevers aantrekkelijk worden om oudere personen die geen werk (meer) hebben in dienst te nemen.
De werkgever moet voor die medewerkers worden vrijgesteld van het betalen van sociale lasten, te weten premies werknemersverzekeringen en pensioenpremies. Beschikbare budgetten van WW, WIA en andere sociale uitkeringen moeten voor het eerste jaar worden overgeheveld naar de betreffende werkgever, voor scholingsprogramma’s en verlaging van de loonkosten in de inwerkperiode;

3. Het moet voor de werkgever aantrekkelijk zijn om oudere werknemers in dienst te houden, ook na 65 jaar. Daartoe moet de werkgever na de 65-jarige leeftijd van zijn werknemer zijn vrijgesteld van pensioenpremies. De pensioenlasten mogen vanaf 60 jaar worden gemaximeerd op 15 procent van het salaris. Deeltijd werken (en deeltijd pensionering) moeten ten minste worden gestimuleerd door periodieke individuele informatie te verstrekken over de financiële voordelen daarvan. Hetzelfde geldt ten aanzien van algeheel uitstel van pensioeningang en ingang AOW (zie ook het voorbeeld hierna).

4. Voor werknemers moet het aantrekkelijk zijn om talenten te blijven ontwikkelen, ook op latere leeftijd. Scholing moet een continu onderdeel worden van het arbeidzame leven. Werknemers die doorwerken na 65 jaar moeten eveneens worden vrijgesteld van pensioenpremies;

5. Demotie moet mogelijk zijn en uit de taboesfeer worden gehaald.
Verschuiven van de AOW leeftijd van 65 naar 67

1. De RMU is van mening dat de AOW-gerechtigde leeftijd in verband met de demografische ontwikkeling in Nederland en in verband met de verwachte toekomstige spanning op de arbeidsmarkt moet verschuiven van 65 naar 67. Daarmee sluit Nederland ook aan bij veel Europese landen, die een zelfde ontwikkeling doormaken. De verschuiving kan geleidelijk, bijvoorbeeld in 24 jaar, elk (geboorte)jaar met 1 maand. De opzet van de AOW (voor iedereen hetzelfde pensioen, financiering op omslag) moet worden gehandhaafd.

2. Het moet nu al mogelijk zijn om de AOW uitkering uit te stellen, bijvoorbeeld tot 67 jaar, in samenhang met bovenstaande maatregelen om de arbeidsparticipatie van ouderen te verhogen. Dit uitstel leidt dan tot een substantiële, actuarieel gelijkwaardige, verhoging van de AOW. In samenhang met een uitstel van het ouderdomspensioen uit de pensioenregeling van de werkgever kan dit leiden tot een aanzienlijke verhoging van het inkomen na pensionering. Door door te werken en het pensioen uit te stellen kunnen “pensioengaten” eenvoudig worden verminderd of gedicht. Voorbeeld bij een bruto jaarsalaris van € 40.000 en een beperkte pensioenopbouw



(TABELOVERZICHT)



3. Als de AOW-leeftijd opschuift moet het toch nog steeds mogelijk zijn om de AOW vanaf 65 jaar te laten ingaan, maar dan op een lager, actuarieel gelijkwaardig niveau. De RMU is dan wel van mening dat er een minimum niveau aan deze “vervroegde”AOW moet worden verbonden. Dit minimum niveau zou gelijk kunnen zijn aan het AOW bedrag. Deze maatregel is vooral van belang voor slijtende beroepen, waarvan doorwerken niet kan worden verlangd. Maar ook voor lagere inkomenscategorieën, waarvan bekend is dat de gemiddelde levensverwachting veelal lager is dan van de hogere inkomenscategorieën, kan een uitkering vanaf 65 jaar bijdragen aan een welverdiende periode van pensionering.

4. De thans al opgebouwde pensioenen die voortvloeien uit de pensioenregeling van de werkgever blijven ingaan op 65 jaar. Wel kan op verzoek de pensioenuitkering actuarieel worden uitgesteld (evenals de AOW dus). De toekomstige pensioenopbouw kan wel worden gebaseerd op een uitgestelde AOW-leeftijd.

Solidariteit tussen generaties

Draagvlak tussen de generaties is een belangrijke voorwaarde voor de houdbaarheid van het stelsel van sociale verzekeringen en pensioenvoorzieningen. Bij elke maatregel dient te worden nagegaan of de belangen van ouderen, middengroep en jongeren voldoende in evenwicht zijn. Waar ouderen geprofiteerd hebben van regelingen voor vervroegde uittreding, een AOW vanaf 65 jaar en riante pensioenvoorzieningen (nog vaak gedurende lange tijd op basis van eindloon) moeten middengroepen en jongeren gecompenseerd worden voor uitstel van de pensioenleeftijd en versoberde pensioenregelingen (middelloon of beschikbare premie). Dat kan door bijvoorbeeld extra middelen voor opleiding en fiscale faciliteiten voor de periode waarin kinderen opgroeien. Verder moeten de opbrengsten van de fiscalisering van de AOW gedeeltelijk worden aangewend voor verlaging van de loonheffing over de eerste 2 schijven.

Fiscalisering van de AOW
De RMU ondersteunt de gedachte van een volledige fiscalisering van de AOW. Voor alle Nederlanders moet ongeacht de leeftijd eenzelfde loonheffing c.q. inkomstenbelasting gelden. Tot nu toe hebben personen met een pensioenuitkering door de aftrekpost voor pensioenpremies veelal minder bijgedragen aan de AOW dan personen zonder pensioenuitkering. Bovendien zijn er geen rationele argumenten om op 65 plussers minder belasting- en premiedruk toe te passen dan personen die jonger zijn dan 65 jaar. Een gepensioneerde met bijvoorbeeld 30.000 euro bruto inkomen dient dezelfde belasting en premies sociale verzekeringen te betalen als een jong gezin met hetzelfde inkomen (en meestal aanzienlijk zwaardere lasten). Het streven moet erop gericht zijn dat in 18 jaar de belastingtarieven voor de 65 + groep gelijk zijn aan de 65- groep.

Daarom kiest de RMU voor geleidelijke verdergaande fiscalisering van de AOW. Dat betekent dat iedereen gaat meebetalen aan de AOW, dus niet alleen de werkenden. Nu betaalt een werkende maximaal 17,9 procent AOW-premie. Dit percentage is al langer dan tien jaar bevroren. Hierdoor ontstaan toenemende tekorten in het Algemeen Ouderdomspensioenfonds, die worden afgedekt door steeds grotere bijdragen ten laste van de Rijksbegroting. Komend jaar bedraagt die rijksbijdrage al meer dan 10 miljard euro. Dat is gelijk aan een derde van de AOW-uitgaven. Daarom is verbreding van het financiële draagvlak noodzakelijk. In dit kader stelt de RMU voor het premiepercentage van 17,9 procent, jaarlijks met 1 procent te verminderen, en de inkomstenbelasting (dus ook voor de gepensioneerden) met datzelfde percentage te verhogen. Deze geleidelijke aanpassing wordt uitgevoerd over een periode van 18 jaren.
Voldoende overgangstermijn

Welke maatregelen ook worden genomen: deze moeten in een zodanig tempo worden ingevoerd dat mensen zich tijdig kunnen voorbereiden op toekomstige wijzigingen. In dat kader is de RMU tegen het eerder invoeren van de afschaffing van de AOW toeslag voor toekomstig gepensioneerden met een partner jonger dan 55 jaar. Werkgevers moeten hun pensioenvoorziening eveneens tijdig kunnen aanpassen aan verschuivingen in de toekomst.

Herijking fiscale faciliteiten
Ondernemingen die te maken hebben met slijtende beroepen moeten meer fiscale mogelijkheden krijgen om (arbeidsvoorwaardelijke) voorzieningen te treffen. Deze worden door CAO partijen (of werkgever en ondernemingsraad) afgesproken en vormgegeven.

Verder dient de fiscale regelgeving zodanig te worden aangepast dat arbeidsparticipatie van ouderen ook vanuit die optiek wordt gestimuleerd. De extra heffingskorting voor werkende ouderen zou na 65 jaar moeten worden verhoogd.

Om extra middelen voor de overheid te creëren zouden de fiscale faciliteiten van de pensioenregeling moeten worden beperkt. Dit kan worden bereikt door de fiscale faciliteit voor hogere inkomens af te toppen. Er moet voor deze categorie, maar ook voor personen die andere toekomstvoorzieningen willen treffen fiscale mogelijkheden komen om bovenop of naast de pensioenregeling te sparen voor later zonder box3 heffing.
Delen