Christelijke Beroepscode

De ‘Christelijke Beroepscode’ heeft in de achterliggende jaren in een behoefte voorzien voor werkers in de gezondheidszorg. Het was de hoop en wens van de scribenten dat de ‘Christelijke Beroepscode’, die gebaseerd is op de Bijbel en de daaruit afgeleide waarden en normen, bij zou dragen aan de visie op het medisch-ethisch handelen in de gezondheidszorg en daarnaast een praktische handreiking is voor de beroepsuitoefening.

Na uitvoerige gesprekken -om te kijken of er alsnog een gezamenlijke beroepscode tot stand gebracht kon worden- is op 8 januari 2015 het resultaat, de Nationale Beroepscode voor álle verpleegkundigen en verzorgenden in Nederland- gepresenteerd. Met de totstandkoming van deze Nationale Beroepscode is de Christelijke Beroepscode min of meer ‘overbodig’ geworden. Voorheen bestonden er verschillende beroepscodes, waaronder ook deze christelijke variant. 

Bij de totstandkoming van de Nationale Beroepscode hebben alle partijen van de verschillende beroepscodes geparticipeerd, waaronder de RMU. Hiermee zijn voor alle doelgroepen van de beroepsgroep onder meer gewetensbezwaren bij medisch-ethische dilemma’s geborgd.

Omdat er in de Christelijke Beroepscode zeer waardevolle handvatten zijn geboden, hebben wij de inhoud op deze website gepubliceerd.

LET OP: U kunt zich niet (meer) beroepen op deze Christelijke Beroepscode

Lees de Christelijke Beroepscode hieronder of download de Christelijke Beroepscode hier.

Inhoudsopgave

Inleiding
1. Principiële uitgangspunten
2. Gewetensbezwaren
3. Kennis en vaardigheden
4. De relatie met de patiënt
5. De relatie met collega’s, leidinggevenden, andere opdrachtgevers en de organisatie
6. Maatschappelijke verantwoordelijkheid
Noten
Bijlage
Code


Inleiding

Voordat de normen van een christelijke beroepscode uitgewerkt worden, wordt ingegaan op de behoefte, de doelstellingen en de doelgroep. Daarna wordt een aantal begrippen gedefinieerd.

De behoefte aan ethische en praktische normen voor de beroepsuitoefening
Met name onder verpleegkundigen en verzorgenden groeit de behoefte aan zo concreet mogelijke ethische en praktische normen voor de praktijk. Hierbij maakt het geen verschil of deze beroepsbeoefenaars al dan niet vanuit bepaalde godsdienstige of levensbeschouwelijke principes hun werk verrichten. Oorzaken van deze behoefte zijn
onder meer: de toename van de medische technologie, het ontbreken van een eenduidige medische en verpleegkundige ethiek, het professionaliseringsstreven en nieuwe wetgeving op het gebied van het eigen beroep en van de patiëntenzorg. Als gevolg hiervan is een blijvende belangstelling onder de genoemde beroepsgroepen ontstaan voor beroepscodes
en daarbij behorende gedragsregels.

Onder een beroepscode wordt verstaan: een geheel van waarden en daaraan ontleende ethische en praktische normen die in de uitoefening van het beroep gelden ten opzichte van collega's, patiënten en anderen. Een uitwerking van deze waarden en normen voor de praktijk worden gedragsregels genoemd. (1)

Meerdere beroepsgroepen in de gezondheidszorg kennen een beroepscode met normen en/of gedragsregels zoals de 'Gedragsregels voor artsen' van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst en de 'Beroepscode voor psychologen'. Wat betreft de verpleegkundigen is de Code van de International Council of Nurses (ICN)
bekend. Deze code dateert uit 1953 en is in 2000 voor het laatst gewijzigd. Deze internationale code wordt breed geaccepteerd en regelmatig gebruikt voor het opstellen van beroepscodes (zie bijlage).

Meer afgestemd op de specifieke Nederlandse praktijk zijn de beroepscodes van respectievelijk ABVAKABO FNV en CFO (1996) en NU'91 (1998). Deze codes bevatten zowel normen als gedragsregels. ABVAKABO FNV, CFO en NU’91 hebben lange tijd geprobeerd tot een gezamenlijke code te komen. Toen dat begin 1996 niet mogelijk bleek,
hebben ABVAKABO FNV en CFO zelf een code opgesteld. Uit de formulering van de normen en gedragsregels in de code van NU'91 blijkt dat de opstellers uitgaan van het recht op zelfbeschikking. In de code van ABVAKABO FNV en CFO wordt geen specifiek uitgangspunt genoemd. Wel wordt de ICN-code de basis voor deze code genoemd. Beide
codes stellen dat zij verpleegkundigen en verzorgenden de mogelijkheid bieden die beslissingen te nemen die het meest aansluiten bij de eigen morele principes. Wijken deze beslissingen af van de beroepscode dan moet de betreffende verplegende/verzorgende zich tegenover collega's verantwoorden. Inmiddels vinden er weer gesprekken plaats tussen
Nu’91, AbvaKabo en CNV Publieke Zaak om te kijken of er alsnog een gezamenlijke beroepscode tot stand gebracht kan worden.

Door diverse maatschappelijke ontwikkelingen, waarbij het christelijke gedachtegoed een steeds marginalere rol speelt, zoals de steeds vergaande ontzuiling en sterk veranderende wetgeving, kwam de vraag naar een christelijke beroepscode naar voren. Dit resulteerde uiteindelijk in de ‘Christelijke beroepscode’, die voor het eerst verscheen in 1995.

Het doel en de werking van een beroepscode in het algemeen
Het doel van een beroepscode is: ‘het voorhouden van een maatstaf en daarbij passende gedragsregels voor de beroepsgroep die men kan erkennen als richtinggevend voor zijn handelen’. Op deze wijze kan een beroepscode bijdragen aan een meer eenduidige en consequente besluitvorming ten aanzien van ethische problemen. (2)
Een beroepscode en de daarbij behorende gedragsregels werken niet alleen intern, in de eigen beroepsgroep, maar ook extern, naar de samenleving. De samenleving weet wat zij van de beroepsgroep kan verwachten. Overigens kunnen een beroepscode en gedragsregels niet goed functioneren als zij niet breed door de beroepsgroep worden
gedragen. 

Hoewel de beroepscode formeel alleen geldt voor de leden van de beroepsorganisatie die de code heeft opgesteld, kan de beroepscode toch een bredere werking krijgen. Allereerst doordat één of meer codenormen in instellingsprocedures of -protocollen worden vastgelegd. Op deze wijze kan ook een niet-lid van de betreffende beroepsorganisatie
worden verplicht deze codenorm te respecteren. Zo worden de codenormen gejuridiseerd, dat wil zeggen tot onderdeel van het (instellings)recht gemaakt.

In de tweede plaats kan een bredere werking ontstaan doordat in de samenleving de mening ontstaat dat elke beroepsbeoefenaar, of deze nu lid is van de beroepsorganisatie of niet, zich aan de in de code neergelegde normen moet houden. Als vervolg daarop zou een rechter schending van een beroepscodenorm kunnen laten meewegen in zijn oordeel dat een burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke norm is overtreden. Vooral in het tuchtrecht blijkt de rechter overtredingen van beroepscodenormen mee te laten wegen in zijn oordeel. Beroepscodes en gedragsregels kunnen op deze manier een, zij het indirecte, bron van recht vormen. (3)

Een nog verdere stap op het pad van de juridisering van beroepscodes is het vastleggen van een beroepscode als onderdeel van het tuchtrecht. Dit is bijvoorbeeld in Engeland gebeurd met de Engelse 'Code of Professional Conduct for the Nurse, Midwife and Healthcare Visitor'. (4) In dit verband verdient het aandacht dat in de Wet Beroepen in de
Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG, 1993) ook het tuchtrecht voor verpleegkundigen wordt geregeld. (5)

Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de invloed van een beroepscode niet onderschat moet worden. Anderzijds moet de invloed van een beroepscode in de praktijk van de gezondheidszorg niet overschat worden. Morele keuzes van beroepsbeoefenaren komen immers in een concrete situatie niet alleen tot stand door gedragsregels. Een veelheid van invloeden bepaalt deze morele keuzes, niet alleen gedragsregels, maar ook traditie, opvoeding, scholing, positie in de organisatie en arbeidsomstandigheden. (6) Mede daardoor bieden beroepscodes slechts beperkte
bescherming aan patiënten. (7)

Waarom een christelijke beroepscode?
Toen duidelijk werd dat het recht op zelfbeschikking hoe langer hoe meer bepalend werd voor het handelen van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg groeide de behoefte aan een christelijke code.

Daarnaast wordt in toenemende mate ruimte gevraagd voor het 'kwaliteit van leven'-denken. Dit uitgangspunt geldt niet alleen als een medisch behandelcriterium maar ook als impliciete voorwaarde voorafgaand aan het medisch, verpleegkundig en verzorgend handelen. Zo verdedigen sommige patiënten cq. familie en hulpverleners de opvatting dat het leven van een patiënt beëindigd mag/moet worden als de kwaliteit daarvan beneden een bepaalde
maat is gekomen. (8)

Over de zin van een mensenleven in de hier bedoelde omstandigheden wordt door hulpverleners in de gezondheidszorg zeer verschillend gedacht. Dit heeft te maken met het verschil van inzicht over het zogeheten zelfbeschikkingsrecht en over de samenhang tussen het zelfbeschikkingsrecht en de levenskwaliteit van een patiënt. Dit komt wel het duidelijkst
tot uiting in situaties rondom het begin en einde van het leven van ernstig zieke of gehandicapte patiënten wanneer hulpverleners tegengestelde ethische opvattingen hebben. Artsen kunnen bij een vastgesteld gebrek aan nog te verwachten levenskwaliteit onder bepaalde voorwaarden besluiten opzettelijk het leven van ernstig gehandicapte
pasgeborenen of van ernstig zieken die hun wil niet meer kunnen verklaren te beëindigen. Zwangere vrouwen kunnen zich onder bepaalde voorwaarden laten aborteren. Patiënten die langer leven zinloos vinden, kunnen onder bij wetbepaalde voorwaarden met behulp van een arts kiezen voor de dood.

Met name christenverpleegkundigen en -verzorgenden, die in dergelijke situaties geen beslissingsverantwoordelijkheid hebben, komen hierdoor in gewetensnood. Te meer omdat hun medewerking gevraagd kan worden bij voorbereidings- en uitvoeringshandelingen. Deze christenverpleegkundigen en -verzorgenden willen zich inzetten voor lijdensverlichting
vanuit de beschermwaardigheid van het leven ook in die situaties, waarin artsen en eventueel collega's de dood als enige oplossing voor de patiënt zien.

Deze ontwikkelingen, de mogelijke juridisering van beroepscodenormen en het presenteren van de NU'91-beroepscode waarbij door NU’91 de indruk werd gewekt dat hun code dé beroepscode van verpleegkundig Nederland was, vormen een dringende reden geweest om de bijbelse uitgangspunten opnieuw voor anderen duidelijk te maken. Deze uitgangspunten
zullen tot andere morele keuzes leiden voor wat betreft de behandeling en de zorg dan wanneer men keuzes maakt die uitgaan van het zelfbeschikkingsrecht en/of het 'kwaliteit van leven'-denken.

In de ‘Christelijke beroepscode’ worden normen geformuleerd voor het praktisch handelen voor verpleegkundigen en verzorgenden, gebaseerd op de bijbelse principes van naastenliefde, barmhartigheid en beschermwaardigheid van het leven. Een verschil met andere beroepscodes komt naar voren in het feit dat de ‘Christelijke beroepscode’ meer is
dan een professioneel statuut voor een beperkte professionele beroepsgroep. Het is namelijk ook een moreel houvast voor een christelijke ethische doelgroep.

De doelstellingen van de christelijke beroepscode:

  1. Het bieden van een morele maatstaf, waarin de bijbelse principes van naastenliefde, barmhartigheid en beschermwaardigheid van het leven worden uitgewerkt in richtlijnen voor het handelen in de praktijk, aan verpleegkundigen en verzorgenden.
  2. Het verduidelijken en versterken van de identiteit van de christenverpleegkundigen en -verzorgenden.
  3. Het voorkomen van juridisering van codenormen die uitgaan van het zelfbeschikkingsrecht en het 'kwaliteit van leven'-denken.
  4. Het vormen van een tegenwicht tegen het denken in de gezondheidszorg vanuit het recht op zelfbeschikking en de kwaliteit van leven.
  5. Het verbeteren van de (rechts)positie van verpleegkundigen/verzorgenden die vanwege gewetensbezwaren een beroep willen doen op het recht om de uitvoering van bepaalde opdrachten te weigeren.

Doelgroep
De ‘Christelijke beroepscode’ is in de eerste plaats geschreven voor hulpverleners in de zorgsector die de Bijbel kennen als leiddraad voor hun handelen. Het is echter belangrijk dat andere hulpverleners, patiënten en overige geïnteresseerden kennis nemen van de inhoud van deze code om argumenten die aan morele keuzes van christenverpleegkundigen en
andere christenwerkers in de gezondheidszorg ten grondslag liggen te leren kennen en begrijpen. Daarnaast is het belangrijk dat leidinggevenden en beleidsmakers binnen de gezondheidsinstellingen hiervan op de hoogte zijn zodat hier niet alleen uit praktische overwegingen op geanticipeerd kan worden maar dat ook de drijfveren van betrokkenen
beter begrepen worden zodat het eventuele gesprek hierover in een meer ontspannen sfeer kan plaatsvinden.

Definities
In de tekst van deze beroepscode wordt eenvoudigheidshalve gesproken over 'verpleegkundigen', 'patiënten' en 'familie'.

Verpleegkundigen
De beroepscode richt zich in eerste instantie op verpleegkundigen en verzorgenden in alle velden in de zorgsector zoals ziekenhuiszorg, verpleeghuiszorg, gehandicaptenzorg, psychiatrische zorg, thuiszorg en bejaardenzorg. Daarnaast kunnen ook helpenden zoals bejaardenhelpenden deze code gebruiken. Dit geldt ook voor hen die als beroepsbeoefenaar in de medische, paramedische of perimedische zorg werkzaam zijn of daarvoor in opleiding zijn zoals artsen, fysiotherapeuten, apothekersassistenten, operatieen anesthesieassistenten, analisten, laboratoriummedewerkers, radiotherapeutisch - en diagnostisch laboranten en ambulancepersoneel.
Om zoveel mogelijk beroepsgroepen in de gezondheidszorg te kunnen omvatten is in de titel van de code gekozen voor de omschrijving: 'voor verpleegkundigen en andere werkers in de gezondheidszorg'. Voor verpleegkundige wordt het vrouwelijk voornaamwoord gebruikt.

Patiënten
Voor 'patiënten' kan ook cliënten, bewoners, gasten en deelnemers gelezen worden. Voor patiënt wordt het mannelijk voornaamwoord gebruikt.

Familie
Met 'familie' wordt zowel familieleden als naaststaanden die geen familie zijn bedoeld.

Geestelijk
Onder 'geestelijk' wordt verstaan 'in godsdienstige zin' in tegenstelling tot psychisch.

Handelingsonbekwaam
In de Wet BIG wordt over handelingsonbekwaam gehandeld als over iemand die juridisch niet bevoegd is rechtshandelingen te verrichten. Rechtshandelingen zijn handelingen waaraan het recht gevolgen verbindt zoals het sluiten van een geneeskundige behandelovereenkomst, het zich onder behandeling stellen van een arts en het zich laten
opnemen in een zorginstelling.

Wilsonbekwaam
Wilsonbekwaam houdt in dat iemand niet in staat is zijn wil bijvoorbeeld ten aanzien van een voorgestelde behandeling te uiten of te verklaren. Om vast te kunnen stellen of iemand wilsbekwaam dan wel wilsonbekwaam is, moet nagegaan worden in hoeverre de patiënt:

  • zich de situatie realiseert waarin hij verkeert;
  • de gegeven informatie kan begrijpen;
  • op grond hiervan tot een besluit kan komen;
  • de gevolgen van dit besluit kan overzien.

In dit kader wordt verwezen naar de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO).

Lijst van gebruikte afkortingen

ICN      International Council of Nurses                     
ABVAKABO FNV                      Algemene vakbond voor werknemers in dienst van onder meer overheid, onderwijs, instellingen voor gezondheids- en welzijnswerk en bejaardentehuizen
CFO  Christelijke Federatie van bonden voor Overheidspersoneel
NU'91  Beroepsorganisatie van de verpleging en verzorging
WAZ  Wet afbreking zwangerschap
Wet BIG  Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
WGBO  Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst
WBOPZ  Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen


1. Principiële uitgangspunten


1.1 De verpleegkundige aanvaardt de Bijbel als Gods onfeilbaar Woord dat geldt voor alle mensen, tijden en plaatsen
Gods Woord, geconcretiseerd in de Wet van de Tien Geboden, is daarom de hoogste maatstaf voor hun leven en werken. Deze Wet is door Christus samengevat in het grote gebod: God lief hebben boven alles en onze naaste als onszelf (het zogeheten liefdegebod: Mattheüs 22 vers 37 - 42).


1.2 De verpleegkundige verleent zorg aan de patiënt, haar naaste als schepsel en beeld van God, zonder aanzien des persoons. Zij maakt haar eigen belangen daaraan ondergeschikt. Zij doet dit toegewijd en integer De verpleegkundige zoekt het goede in de omgang met de familie van de patiënt, collega's, artsen en andere medewerkers
Dit is een uitwerking van het liefdegebod als het grote principe dat de motieven en handelwijze van de verpleegkundige tegenover de patiënt, zijn familie, haar collega's, artsen en andere hulpverleners bepaalt. De verpleegkundige doet dit vanuit een houding van barmhartigheid, geduld, respect, welwillendheid, onzelfzuchtigheid, eerlijkheid en vergevingsgezindheid (vergelijk 1 Korinthe 13 vers 4 en 5 en Lukas 10 vers 25 - 37). In het liefdegebod ligt tevens een begrenzing van de verantwoordelijkheid van de verpleegkundige opgesloten. Zij mag namelijk niet handelen in strijd met Gods geboden, ook al vragen de patiënt of anderen met wie zij samenwerkt hierom. Daarnaast komt het houden van Gods geboden tot uitdrukking in het zich onthouden van seksuele intimidatie en ongewenste intimiteiten.

1.3 De verpleegkundige wijst (opzettelijk) levensbeëindigend handelen of het meewerken daaraan af
Zij doet dat omdat dit handelen in strijd is met het liefdegebod en met name in strijd is met het zesde gebod van Gods Wet: Gij zult niet doden (Exodus 20 vers 13). Er zijn echter verpleegkundige doelen die geheel in overeenstemming met het liefdegebod zijn, ook in geval van terminaal lijden. Hierbij kan gedacht worden aan patiënten te helpen te leven
ongeacht de kwaliteit van hun leven en hun lijden helpen te verzachten om zo waardig te kunnen sterven. Dit betekent: het zich inzetten voor palliatieve zorgverlening als curatieve hulp niet meer baat.

(Opzettelijk) levensbeëindigend handelen en het meewerken daaraan is bovendien strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht:

  • artikel 287 (opzettelijk levensbeëindigend handelen, zonder verzoek van de betrokken patiënt = doodslag);
  • artikel 289 (opzettelijk levensbeëindigend handelen met voorbedachten rade, zonder
  • verzoek van de betrokken patiënt = moord);
  • artikel 293 (euthanasie = doden op verzoek van de betrokken patiënt);
  • artikel 294 (hulp bij zelfdoding);
  • artikelen 295 t/m 298 (abortus provocatus).

Dat deze handelingen strafbaar zijn betekent ook dat de medewerking daaraan strafbaar is. Als de behandelend arts zich houdt aan de wettelijke voorschriften zal hij van rechtsvervolging worden ontslagen. In feite heeft de wetgever dit niet goed genoeg gewaarborgd voor degene die hem helpen bij het levensbeëindigend handelen op verzoek. Dit betekent dat een verpleegkundige die de arts assisteert in feite strafrechtelijk vervolgd kan worden. Vanwege het strafbaar zijn van deze handelingen kan men tot het uitvoeren of meewerken daaraan nooit verplicht worden.

Wat betreft abortus provocatus geldt dat een arts deze ingreep bij een zwangerschapsduur van ten hoogste 24 weken straffeloos kan uitvoeren als de noodsituatie van de vrouw deze ingreep onontkoombaar maakt. De arts moet zich houden aan een aantal zorgvuldigheidscriteria, onder meer de vrijwillige en weloverwogen toestemming van de vrouw, artikel 5 Wet afbreking zwangerschap (WAZ). Tot het uitvoeren van of meewerken aan abortus provocatus kan men nooit worden verplicht. Met het oog hierop is het volgende artikel in de WAZ opgenomen: 'Niemand is verplicht een vrouw een behandeling, gericht op het afbreken van zwangerschap, te geven, dan wel daaraan medewerking te verlenen.'
(artikel 20).

1.4 De verpleegkundige zorgt goed voor zichzelf
Ook dit is een uitwerking van het liefdegebod: je naaste liefhebben als jezelf. Dit gebod gaat duidelijk uit van een gezonde hoeveelheid ‘eigenliefde’. Dit heeft niets te maken met egoïsme, maar schept de conditie waardoor de verpleegkundige lichamelijk, psychisch en geestelijk zo goed mogelijk in staat is voor haar patiënten te zorgen. Niet alleen met 'natuurlijke middelen' zoals gezond eten, voldoende rust en ontspanning maar evenzeer met 'geestelijke middelen' zoals bijbelstudie en gebed.

2. Gewetensbezwaren

2.1 De verpleegkundige maakt ernstige gewetensbezwaren tegen de uitvoering van bepaalde handelingen zo spoedig mogelijk kenbaar aan en bespreekbaar met haar leidinggevende
De verpleegkundige streeft ernaar in goed overleg met de leidinggevende en eventueel de patiënt tot een redelijke oplossing te komen. Verpleegkundigen die gestalte willen geven aan de inhoud van de bijbelse geboden hebben ernstige bezwaren tegen de uitvoering van levenbeëindigde handelingen zoals abortus provocatus, euthanasie, hulp bij zelfdoding en opzettelijke levensbeëindiging zonder verzoek van de patiënt.

Hoewel het bij abortus provocatus strikt genomen om niet-verplichte handelingen gaat (9), wordt er in de wandelgangen bij weigering van medewerking meestal toch gesproken over ernstige gewetensbezwaren. Ook een verpleegkundige die niet wil meewerken aan de overige genoemde levensbeëindigende handelingen behoeft zich strikt genomen niet te
beroepen op ernstige gewetensbezwaren omdat het bij deze handelingen om strafbaar handelen gaat.

Daarnaast hebben christenverpleegkundigen ernstige gewetensbezwaren tegen het, op verzoek van de patiënt, meewerken aan seksuele handelingen. In de eerste en de belangrijkste plaats omdat het zevende gebod van Gods Wet 'Gij zult niet echtbreken' (Exodus 20 vers 14) de mens ook seksuele handelingen en seksueel verkeer buiten het
huwelijk verbiedt. In de tweede plaats omdat een professionele hulpverlener zich tegenover de patiënt in een zekere machtspositie bevindt en daarom des te gemakkelijker die positie kan misbruiken, zoals in de praktijk blijkt. Een professionele hulpverlener dient machtsmisbruik, ook in seksueel opzicht, te allen tijde te vermijden.

Indien de ernstige gewetensbezwaren zich voordoen in een al bestaande relatie tussen verpleegkundige en patiënt moet de patiënt, indien mogelijk, op de hoogte worden gesteld van de ernstige gewetensbezwaren. De werkgever dient er zorg voor te dragen dat op de werkvloer zodanige voorwaarden gecreëerd worden dat de verpleegkundige te allen tijde op
grond van ernstige gewetensbezwaren de gevraagde medewerking kan weigeren. (Zie de artikelen over gewetensbezwaren in de diverse zorg-CAO’s)

2.2 De gewetensbezwaarde verpleegkundige aanvaardt geen verplichting om zelf te zorgen voor een vervanger
De verpleegkundige die zich beroept op ernstige gewetensbezwaren zal het als ’meewerken aan’ ervaren indien zij gedwongen wordt zelf voor een vervanger te zorgen. Het ligt in de aard van de bezwaren dit nu juist niet te doen. Een verpleegkundige zal wel vervangende werkzaamheden aanvaarden of deze zelf voorstellen. Hierbij zij opgemerkt dat de
vervangende werkzaamheden zoveel als redelijk is dienen aan te sluiten bij de huidige functie.

2.3 De gewetensbezwaarde verpleegkundige aanvaardt geen discriminatie ten aanzien van haar functioneren in de ruimste zin van het woord, alsmede ten aanzien van haar sollicitatie-, opleidings- en promotiemogelijkheden
In het voorkomende geval doet de verpleegkundige er verstandig aan zich te voorzien van adequate juridische bijstand, zoals verwoord in 3.3.


3. Kennis en vaardigheden

3.1 De verpleegkundige is verplicht optimale deskundigheid na te streven en te behouden
Deze deskundigheid betreft de functie en de taken die de verpleegkundige op zich heeft genomen en waar zij verantwoordelijk voor is. Dit geldt zowel op het gebied van theoretische kennis als op het gebied van verpleegkundige praktische vaardigheden. De mate van deskundigheid is mede bepalend voor de kwaliteit van de zorgverlening. De
verpleegkundige zal daarom altijd bereid zijn zich te verantwoorden voor haar doen en laten. In verband met het bijhouden van haar deskundigheid is de verpleegkundige bereid scholing te volgen, vakliteratuur te lezen, symposia te bezoeken etc.

3.2 De verpleegkundige kent de grenzen van haar deskundigheid en beroepsverantwoordelijkheid en weet adequaat door te verwijzen naar andere hulpverleners
In de Wet BIG ligt de norm opgesloten dat de verpleegkundige niet buiten de grenzen van haar deskundigheidsgebied mag treden. Daarom is het van belang dat de verpleegkundige zich, afhankelijk van haar functie en deskundigheid, mede in het belang van de patiënt, inzet voor adequate doorverwijzing naar andere hulpverleners voor lichamelijke, psychische,
geestelijke of sociale bijstand.

3.3 De verpleegkundige kent haar rechten en plichten als werknemer en kan zich in conflictsituaties adequaat voorzien van morele, pastorale en zonodig juridische bijstand
Het is, onder meer bij kwesties die worden veroorzaakt door verschil van mening over de toe te passen ethische normen, noodzakelijk inzicht te hebben in de eigen rechtspositie. Hiermee wordt bedoeld dat de verpleegkundige inzicht heeft in de ethische achtergronden en de praktische consequenties van de betreffende meningsverschillen. Hiermee wordt ook
bedoeld dat de verpleegkundige inzicht heeft in vakmatige aspecten en afspraken (protocollen) en in arbeidsrechtelijke aspecten van haar beroep. Kennis van de CAO, die relevant is voor de eigen organisatie, of het toepasselijke ambtenarenreglement alsook van de belangrijkste wetgeving betreffende het eigen beroep en de euthanasie- en
abortuswetgeving is dan ook vereist. Voor advies en juridische ondersteuning kan contact opgenomen worden met de RMU of het VAKGMV.


4. De relatie met de patiënt

4.1 De relatie van de verpleegkundige met de patiënt is tweeledig
Deze tweeledigheid schept over en weer ruimte voor respect, gelijkwaardigheid en vertrouwen. Dit vertrouwen is de basis van waaruit de verpleegkundige haar samenwerking met de patiënt start en opbouwt. De patiënt is in de relatie met de verpleegkundige de zorgbehoevende en als zodanig van haar afhankelijk. Dit bepaalt de verpleegkundige eens
te meer bij haar verantwoordelijkheid als medemens en deskundige. De verpleegkundige vermijdt misbruik van de afhankelijke positie van de patiënt.

4.2 De verpleegkundige streeft, met het oog op het lichamelijk, psychisch, geestelijk en sociaal welzijn van de patiënt, naar:

  • het bevorderen van gezondheid;
  • het voorkomen van ziekte;
  • het herstellen van gezondheid;
  • het handhaven van een bestaande toestand, indien verder herstel, c.q. verbetering
  • niet te verwachten is;
  • het verlichten van lijden;
  • adequate begeleiding in de stervensfase.

Bij de formulering van de zorgdoelen is aansluiting gezocht bij de ICN-code. Gelet op de ontwikkelingen in de ethiek met betrekking tot de gezondheidszorg zijn er enkele elementen aan toegevoegd. Hierbij wordt opgemerkt dat de christenverpleegkundige de Bijbel als de maatstaf voor haar leven hanteert en dat zij voor haar doen en laten allereerst
verantwoording verschuldigd is aan God. Dit stelt geen grenzen aan het respecteren van de patiënt, maar begrenst wel het ingaan op zijn wensen. 

De beroepsuitoefening van de verpleegkundige staat in het teken van de heelmaking. In de praktijk van dit leven kan hieraan worden toegevoegd 'voor zover mogelijk'. In veel gevallen kan een patiënt herstellen van zijn ziekte, soms moet een patiënt leren leven met een bepaalde ziekte en in andere situaties zal een patiënt zich moeten voorbereiden op het
sterven. In al deze situaties vervult de verpleegkundige een hulpverlenende rol. Handelingen die gericht zijn op levensbeëindiging of het hieraan meewerken zijn in strijd met de geformuleerde principiële uitgangspunten en doelstellingen.

4.3 De verpleegkundige stimuleert de patiënt zoveel mogelijk zichzelf te verzorgen
God heeft de mens zo geschapen dat hij naarmate hij daartoe lichamelijk en geestelijk in staat is mede ten aanzien van zijn eigen lichaam en geest verantwoordelijkheid kan dragen.

4.4 De verpleegkundige stimuleert de patiënt actief mee te denken en mee te werken inzake het opstellen en uitvoeren van zijn verpleeg- of zorgplan
De totstandkoming en de uitvoering van het verpleeg- of zorgplan is, uitgaande van de eerder beschreven vertrouwensrelatie tussen verpleegkundige en patiënt, het resultaat van een adequate samenwerking tussen verpleegkundige en patiënt. Het spreekt vanzelf dat de verpleegkundige de patiënt in dit kader voldoende informeert over de gedane voorstellen. De verpleegkundige zal daarom niet overgaan tot het uitvoeren van, onderdelen, van het zorgplan zonder toestemming van de patiënt of zijn (wettelijk) vertegenwoordiger.

4.5 De verpleegkundige streeft ernaar de naasten van de patiënt zonodig en zo mogelijk te betrekken bij het opstellen en uitvoeren van het verpleeg- of zorgplan
De patiënt zal doorgaans een plaats in zijn eigen familiekring innemen en daarop meer of minder betrokken zijn. Ter ondersteuning van de patiënt, en uiteraard met goedvinden van de patiënt, verdient het aanbeveling de familie te betrekken bij de totstandkoming en de uitvoering van het verpleeg- of zorgplan. De verpleegkundige kan de familie informatie en aanwijzingen geven hoe te handelen in het kader van goede zorgverlening aan de patiënt.

4.6 Als de patiënt niet in staat is zijn wil te uiten of juridisch niet bevoegd is beslissingen te nemen, overlegt de verpleegkundige met de (wettelijk) vertegenwoordiger van de patiënt over de totstandkoming en de uitvoering van het verpleeg- of zorgplan
Er kan verschil van mening ontstaan tussen de verpleegkundige en de (wettelijke) vertegenwoordiger over wat in het kader van het verpleeg- of zorgplan in het belang van de patiënt is. In dergelijke situaties ligt het voor de hand dat de verpleegkundige het meningsverschil met de overige teamleden of haar leidinggevende bespreekt. Het verdient de voorkeur om in een gezamenlijk overleg met de (wettelijke)vertegenwoordiger en/of de familie tot een oplossing te komen. Wanneer op deze wijze geen oplossing te bereiken is, is het aan te bevelen om als gezamenlijke partijen een onafhankelijke vertrouwenspersoon of - commissie aan wijzen voor het uitbrengen van een bindend advies.

4.7 De verpleegkundige respecteert de eigen verantwoordelijkheid van de patiënt voor het gebruik dat hij wil maken van de hem door de wet en door de instelling toegekende rechten en vrijheden
De belangrijkste rechten van de patiënt zijn het recht op informatie, recht om toestemming te geven of te weigeren voor opname en behandeling, recht op privacy, recht op inzage en kopie van patiëntgegevens, recht op eerlijke behandeling van klachten en het recht op vertegenwoordiging

De verpleegkundige legt desgevraagd en zonodig aan de patiënt uit wat de hem toegekende rechten inhouden. De verpleegkundige kan hierbij verwijzen naar het voorlichtingsmateriaal van de instelling zoals patiënteninformatie of een bewonersboekje.

Op verzoek van de patiënt zorgt de verpleegkundige ervoor dat de patiënt eventuele klachten met de juiste functionarissen kan bespreken en legt hem zonodig uit wat zijn verdere mogelijkheden zijn om de klacht te laten behandelen.

Het door de patiënt gebruik maken van zijn rechten en vrijheden mag enerzijds geen nadelige effecten voor de patiënt hebben maar anderzijds mag het ook de rechten en vrijheden van de verpleegkundige als werknemer niet aantasten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het recht van de verpleegkundige om bij ernstige gewetensbezwaren
bepaalde opdrachten te weigeren zoals meewerken aan euthanasie of aan seksuele handelingen. In dit verband moet opgemerkt worden dat hoewel de wetgever ruimte biedt voor recht op zelfbeschikking, dit echter geen recht op euthanasie betekent.

De verpleegkundige die ernstige gewetensbezwaren heeft tegen het ingaan op bepaalde wensen van de patiënt maakt dit kenbaar en bespreekbaar bij de betreffende patiënt en haar leidinggevende en collega's. Het is uiteraard van belang dergelijke zaken al bespreekbaar op een positieve wijze bij indiensttreding te maken in een bepaalde instelling
waar bedoelde wensen van patiënten onder bepaalde voorwaarden kunnen worden gehonoreerd.

4.8 De verpleegkundige licht de patiënt in over de organisatie van de zorgverlening in het algemeen en over de te verlenen zorg in het bijzonder
Het kan zijn dat de verpleegkundige niet alle informatie over de zorgverlening kan of mag geven. De verpleegkundige vraagt dan, op eigen initiatief of op verzoek van de patiënt, andere hulpverleners voor deze verdere voorlichting te zorgen. Bij het geven van informatie wordt altijd rekening gehouden met het draagvermogen van de patiënt in de betreffende
situatie.

4.9 De verpleegkundige draagt er zorg voor dat de patiënt beschikt over voldoende privacy
Het eerbiedigen van de persoonlijke integriteit van de patiënt door de verpleegkundige is een zeer belangrijk onderdeel van de vertrouwensrelatie tussen verpleegkundige en patiënt. Hierbij worden drie aspecten onderscheiden: de lichamelijke, ruimtelijke en informationele privacy. Dit betekent ook dat de verpleegkundige haar beroepsgeheim in acht neemt. De verpleegkundige informeert de patiënt desgevraagd over de wijze waarop patiëntgegevens worden bewaard en het inzagerecht kan worden uitgeoefend. De verpleegkundige verwijst eventueel naar voorlichtingsmateriaal en/of naar het privacyreglement van de instelling. 


5. De relatie met collega’s, leidinggevenden, andere opdrachtgevers en de organisatie

5.1 De verpleegkundige bevordert een goed functioneren van haar collega's en van de organisatie
Van een verpleegkundige mag verwacht worden dat zij haar functioneren breder ziet dan alleen het individuele niveau. Ook op collegiaal en organisatorisch niveau mag van haar een bijdrage verwacht worden. Hiervoor is het noodzakelijk dat de verpleegkundige inzicht heeft in de organisatiestructuur en in het functioneren van haar afdeling binnen de organisatie.

5.2 De verpleegkundige is op de hoogte van de rechten en plichten van collega's, leidinggevenden en andere opdrachtgevers
De verpleegkundige respecteert deze rechten en plichten evenals het gezag en de leiding van degenen die haar opdrachten kunnen geven. Zie voor de eigen rechten en plichten van de verpleegkundige paragraaf 3.3. Met 'andere opdrachtgevers' worden vooral artsen bedoeld die op grond van de Wet BIG verpleegkundigen opdrachten kunnen geven voor het verrichten van 'voorbehouden handelingen'.

5.3 In het geval het beleid van de werkgever niet overeenstemt met de (beroeps)waarden en normen van de verpleegkundige maakt de verpleegkundige dit bespreekbaar met de werkgever
Veel christenverpleegkundigen zullen werkzaam zijn in een instelling waarbinnen een ethisch beleid gevoerd wordt waarmee zij al dan niet op onderdelen niet kunnen instemmen.  De gewenste bijstelling van het beleid zal in de praktijk vaak niet mogelijk blijken. Dit betekent echter niet dat er over ethische aangelegenheden geen discussie meer hoeft of gevoerd mag worden. Het kennisnemen en bespreken van ethische argumenten en opvattingen onder meer tussen opstellers en uitvoerders van het beleid bevordert een open en positieve werksfeer en stimuleert de wederzijdse betrokkenheid. Een goede christelijke levenshouding mede ten aanzien van deze zaken is immers dat er niet slechts gelet wordt op de feitelijke resultaten maar ook op de intentie waarmee dingen gedaan of nagelaten worden.

5.4 De verpleegkundige ondersteunt leerlingen en stagiaires in het praktische leerproces
Doorgaans is de begeleiding van leerlingen en stagiaires opgedragen aan bepaalde verpleegkundigen. Hoewel aan de ondersteuning primair een professionele invulling gegeven dient te worden kan een christenverpleegkundige hierin ook daadwerkelijk iets tonen van naastenliefde.

5.5 Als de verpleegkundige gedragingen opmerkt bij een andere hulpverlener die schadelijk kunnen zijn voor die hulpverlener of anderen, maakt zij dit kenbaar aan en bespreekbaar met betrokken hulpverlener
Hierbij kan gedacht worden aan diverse gedragingen zoals gedragingen die in het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld zijn: mishandeling, seksueel misbruik, diefstal, verslaving, doodslag en dergelijke. Het laat zich verstaan dat de verpleegkundige zo zorgvuldig mogelijk bepaalde gedragingen uitlegt en bespreekt met de betrokken hulpverlener. Komt het niet tot bijstelling van het bedoelde gedrag dan meldt de verpleegkundige dit indien mogelijk na de betreffende hulpverlener hierover te hebben ingelicht aan haar leidinggevende of de vertrouwenspersoon. Daarbij maakt zij gebruik van de daarvoor ingestelde faciliteiten of procedures.


6. Maatschappelijke verantwoordelijkheid

6.1 De verpleegkundige signaleert en maakt adequaat melding van gezondheidsbedreigende ontwikkelingen in haar werksituatie
Het spreekt vanzelf dat de verpleegkundige helpt deze ontwikkelingen te voorkomen. Van de verpleegkundige mag verwacht worden dat zij op deze wijze bijdraagt aan de zorgverlening binnen haar instelling of binnen haar hulpverleningsgebied en zoveel als in haar vermogen ligt de Arbo-richtlijnen respecteert. De verpleegkundige weet in voorkomende gevallen de juiste plaatselijke, regionale of landelijke klachtinstanties, zoals de Inspectie voor de volksgezondheid, te benaderen. De verpleegkundige weet in voorkomende situaties de juiste procedures te doorlopen en hoe in uiterste gevallen te handelen.

6.2 De verpleegkundige gaat zorgvuldig om met de haar ter beschikking staande middelen en voorzieningen in de uitoefening van haar beroep 
Zij handelt daarbij vanuit de bijbelse opdracht tot rentmeesterschap. Dit geldt onder meer de financiële en milieuaspecten van bedoelde middelen en voorzieningen.

6.3 De verpleegkundige zet zich in voor morele ondersteuning, voor goede arbeidsomstandigheden en voor deskundigheidsbevordering van haar beroepsgroep
Voor de hier bedoelde professionalisering van de beroepsgroep is het onder meer noodzakelijk dat de verpleegkundige zich aansluit bij een vak-, cq. belangenorganisatie.

6.4 De verpleegkundige neemt geen deel aan acties waardoor de continuïteit van de zorg wordt geschaad
De kans is zeer groot dat door gebruik te maken van het stakingsrecht de zorg wordt geschaad. Daarom probeert de verpleegkundige de zorg voor de patiënten zo goed mogelijk te laten continueren als in haar werksituatie (beperkt) wordt gestaakt. Bovendien past het niet in de plichtsopvatting van een christen om te staken tegen het bevoegd gezag.


Noten

1) H.J.J. Leenen, Handboek Gezondheidsrecht, gezondheidszorg en recht, Alphen aan den Rijn 1991
2) A.J.G. van der Arend, Beroepscodes, morele kanttekeningen bij een professionaliseringsaspect van de verpleging, Nijkerk 1992
3) J. Legemaate, Goed recht, de betekenis en de gevolgen van het recht voor de praktijk van de hulpverlening, preadvies ten behoeve van de Vereniging voor Gezondheidsrecht, Maarssen 1994
4) A.J.G. van der Arend, Beroepscodes, morele kanttekeningen bij een professionaliseringsaspect van de verpleging, Nijkerk 1992 
5) Behalve de Wet BIG zijn bij het opstellen van deze code onder meer geraadpleegd de Wet gewetensbezwaren in dienstbetrekking, de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO), de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (WBOPZ) en het Wetsvoorstel mentorschap Ditzelfde geldt voor het advies van de Nationale Raad voor de Volksgezondheid betreffende het Verpleegkundig Beroepsprofiel (1988) en de Nota 'Bouwstenen beroepscodes en gedragsregels' (1988)
6) A.J.G. van der Arend, Beroepscodes, morele kanttekeningen bij een professionaliseringsaspect van de verpleging, Nijkerk 1992
7) H.J.J. Leenen, Handboek Gezondheidsrecht, gezondheidszorg en recht, Alphen aan den Rijn 1991
8) Zie de discussienota's van de KNMG-Commissie ‘Aanvaardbaarheid Levensbeëindigend’ handelen over levensbeëindigend handelen bij wilsonbekwame patiënten, deel 1: Zwaar defecte pasgeborenen (1990), deel 2: Langdurig comateuze patiënten (1991), deel 3: Ernstig demente patiënten (1993) Tevens wordt verwezen naar een advies van een commissie van de Gezondheidsraad 'Patiënten in een vegetatieve toestand', 1994 en op het rapport 'Doen of laten?' van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (1992)
9) Artikel 20 lid 1 Wet afbreking zwangerschap (WAZ): ’Niemand is verplicht een vrouw een behandeling, gericht op het afbreken van zwangerschap, te geven, dan wel daaraan medewerking te verlenen.’


Bijlage

De code voor verpleegkundigen van de International Council of Nurses Een internationale ethische code voor verpleegkundigen werd voor het eerst goedgekeurd door de Internationale Raad van Verpleegkundigen (International Council of Nurses: ICN) in 1953. Deze is sindsdien enige keren herzien en goedgekeurd, en in 2000 voltooid.

Preambule
De fundamentele verantwoordelijkheid van verpleegkundigen en ziekenverzorgenden is viervoudig:

  • het bevorderen van gezondheid;
  • het voorkomen van ziekte;
  • het herstellen van gezondheid;
  • het verlichten van lijden.


Over de gehele wereld bestaat behoefte aan verpleegkundige zorg. Inherent aan verpleegkundige zorg is het eerbiedigen van de rechten van de mens, met name het recht op leven, het recht doen aan de menselijke waardigheid en het geven van een humane behandeling. De verpleegkundige zorg wordt niet beïnvloed door leeftijd, huidskleur, levensbeschouwing, cultuur, invaliditeit of ziekte, geslacht, nationaliteit, politieke overtuiging,
ras of sociale status.

Verpleegkundigen en ziekenverzorgenden verlenen gezondheidsdiensten aan het individu, de familie en de gemeenschap en coördineren hun diensten met die van verwante groepen.

Code
De ICN Ethische Code voor Verpleegkundigen heeft vier belangrijke elementen die de normen van ethisch gedrag schetsen.

1. De verpleegkundige en de medemens
De primaire professionele verantwoordelijkheid van de verpleegkundige Is om aan mensen de voor hen vereiste verpleegkundige zorg te verlenen. Bij het verstrekken van de zorg bevordert de verpleegkundige een sfeer waarin de rechten van de mens, waarden, gebruiken en levensovertuiging van het individu, de familie en de gemeenschap
geëerbiedigd worden.

De verpleegkundige zorgt ervoor dat het individu voldoende informatie ontvangt waarop toestemming voor zorg en aanverwante behandeling gebaseerd kan worden. De verpleegkundige gaat vertrouwelijk om met persoonlijke informatie en gaat afgewogen om met het verstrekken van deze informatie.

De verpleegkundige deelt met de maatschappij de verantwoordelijkheid om initiatieven te nemen en te steunen om aan de gezondheids- en sociale behoeften van de gemeenschap tegemoet te komen, in het bijzonder die van kwetsbare groepen.

De verpleegkundige deelt ook verantwoordelijkheid om het natuurlijke milieu te ondersteunen en te beschermen tegen uitputting, verontreiniging, achteruitgang en vernietiging.

2. De verpleegkundige en de beroepspraktijk
De verpleegkundige draagt persoonlijke verantwoordelijk en verantwoordingsplicht voor de uitoefening van het verplegen en voor het handhaven van de bekwaamheid door voortdurende bijscholing.
De verpleegkundige zorgt dusdanig goed voor de eigen gezondheid dat het vermogen om goede verpleegkundige zorg te verlenen niet wordt bedreigd.

De verpleegkundige maakt een kritische afweging aangaande de eigen bekwaamheid en bevoegdheid én die van collega’s alvorens verantwoordelijkheden te accepteren en te delegeren.

De verpleegkundige gedraagt zich altijd op een wijze die het aanzien van en vertrouwen in het beroep bij collega’s en in het openbaar bevordert.

De verpleegkundige zorgt ervoor dat, tijdens de verpleegkundige beroepsuitoefening, het gebruik van technologie en recente wetenschappelijke ontwikkelingen overeenkomen met de veiligheid, waardigheid en rechten van de mens.

3. De verpleegkundige en het beroep
De verpleegkundige vervult de hoofdrol in het bepalen en toepassen van aanvaardbare normen op de verpleegkundige praktijk, beleid, onderzoek en onderwijs.

De verpleegkundige helpt actief een geheel van professionele kennis te ontwikkelen dat op onderzoek gebaseerd is.

De verpleegkundige neemt, door middel van diens beroepsorganisatie, deel aan het creëren en handhaven van rechtvaardige sociale en economische arbeidsvoorwaarden in de verpleging.

4. De verpleegkundige en de collega’s
De verpleegkundige onderhoudt een goede samenwerking met collega’s op verpleegkundig en ander gebied.

De verpleegkundige treft vereiste maatregelen om mensen te beschermen wanneer hun zorg door een medewerker of een andere persoon in gevaar wordt gebracht.

Delen