Dilemma’s rond vast & flexibel werk

Dit is onderdeel van de RMU-nota Arbeidsvoorwaardenbeleid 2020. 

Steeds meer werknemers hebben een tijdelijk of flexibel arbeidscontract. Meerdere kabinetten hebben geprobeerd deze trend te keren, maar steeds zonder succes.[1] Ook het huidige kabinet doet een poging: in mei 2019 is de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) aangenomen. De bedoeling van de wet is om vaste arbeid minder vast te maken en flexibele arbeid minder flexibel. Door een pakket aan maatregelen moet het voor werkgevers aantrekkelijker zijn om mensen in vaste dienst aan te nemen.

Kennelijk vermoedde men in Den Haag al dat met de WAB de kloof tussen ‘vast’ en ‘flex’ nog niet gedicht wordt. Minister Koolmees heeft eind 2018 immers een commissie aangesteld om na te denken over grote, fundamentele veranderingen. Eind juni 2019 publiceerde de Commissie regulering van werk (commissie Borstlap) een tussenrapportage met denkrichtingen in aanloop naar het definitieve rapport dat eind 2019 verschijnt. De voorlopige conclusie: Nederland heeft de grootste arbeidsmarkthervorming nodig sinds de invoering van de huidige regels, die teruggaan tot eind negentiende eeuw.[2]

In dit hoofdstuk bespreekt de RMU recente ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Naar aanleiding van de tussenrapportage van de commissie Borstlap geeft de RMU vervolgens haar visie op de denkrichtingen van de commissie die betrekking hebben op flexibele en vaste arbeidsrelaties.

De WAB is slechts een begin

Op de WAB is de nodige kritiek uitgeoefend. Zonder maatregelen tegen schijnzelfstandigheid en een oplossing voor de prijzige loondoorbetaling van zieke werknemers (momenteel twee jaar) is het de verwachting dat het duurder maken van flexwerk niet zal leiden tot meer vaste contracten.[3] Daarnaast is er veel kritiek geuit op het feit dat de WAB belangrijke maatregelen voor zich uit schuift en losgekoppeld is van de visie van de commissie Borstlap.

 “Het lijkt […] onwaarschijnlijk dat er met deze reeks geïsoleerde ingrepen een nieuwe balans tussen flex en vast kan ontstaan op de arbeidsmarkt: op het vlak van zzp-regeling schuift minister Koolmees immers alle grote ingrepen voor zich uit tot tenminste 2021,” zo voorspelt het FD.[4]

Ook de Raad van State is kritisch. Begin november 2018 sprak zij al over een ‘waterbedeffect’: de verlichting die een maatregel kan geven, leidt gemakkelijk tot nieuwe knelpunten elders op de arbeidsmarkt. Door de ene flexvorm bijvoorbeeld strenger te reguleren, vluchten werkgevers naar een andere flexvorm. “De zzp-ontsnappingsmogelijkheden worden aantrekkelijker”, vatte hoogleraar arbeidsrecht Saskia Peters de bezwaren samen.[5]

Dat verwacht ook directeur Jurriën Koops van de uitzendkoepel ABU. Koops ziet bijvoorbeeld uitzendwerk in de detailhandel en supermarkten op grote schaal vervangen worden door zzp-constructies en platformarbeid, naar het voorbeeld van Deliveroo en Uber.[6]

Julus Kousbroek, managing director bij WePayPeople, lijkt het nog somberder in te zien. In het FD schrijft hij: “De aangekondigde wet die gereguleerde vormen van flexibele arbeid beperkt zonder een oplossing te bieden voor schijnzelfstandigheid via zzp-constructies zal de huidige disbalans op de arbeidsmarkt verergeren. […] Het overheidsrapport over zzp’ers dat waarschuwt voor verstoring van de arbeidsmarkt is reeds vier jaar oud en toch is er pas recent een commissie van experts onder leiding van Hans Borstlap in het leven geroepen die zich buigt over deze problematiek. Het is dus aan de politiek om nu door te pakken zodat concurrentie tussen groepen werkenden tot het verleden gaat behoren. Dat de visie van de commissie pas na de WAB komt, is een gemiste kans.”[7]

De WAB is kortom slechts een begin van een pakket maatregelen die moeten leiden tot een evenwichtige arbeidsmarkt, waarbij in de visie van de RMU de flextrend een halt moet worden toegeroepen. Een complete hervorming, zoals de commissie noemt, is wellicht wat voorbarig, maar verfijning is op onderdelen zeker wenselijk om te komen tot een ‘gelijk speelveld’ voor alle werkenden.

Schets van de Nederlandse arbeidsmarkt

Rapport Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)

Het is niet alleen kommer en kwel als het gaat over de Nederlandse arbeidsmarkt. De commissie Borstlap heeft de OESO opdracht gegeven een rapport op te stellen over de Nederlandse arbeidsmarkt. Hieruit volgt dat de Nederlandse arbeidsmarkt erg goed functioneert in vergelijking met andere OESO-landen. De werkgelegenheid is hoog, de werkloosheid laag. Lonen zijn gemiddeld hoog en de arbeidsmarktonzekerheid is laag.

Desondanks zijn er zorgen met betrekking tot contractvormen waarin mensen werkzaam zijn. Bijna één op de vijf werkenden in Nederland heeft een flexibel contract, terwijl gemiddeld in de OESO-landen één op de tien werkenden een flexibel contract heeft. Het OESO-rapport geeft aan dat de hoge mate van flexibele arbeid negatieve effecten heeft op de productiviteit, inkomensongelijkheid in de hand werkt en dat werkenden met een flexibele arbeidsrelatie tegenvallende economische groei moeilijk kunnen opvangen.[8]

Vaste en flexibele arbeidsrelaties in cijfers

Het aantal werkenden met een vast contract is gedaald van ruim 70% in 2003 naar ongeveer 60% in 2018. Met name het aantal werkenden met een flexibele arbeidsrelatie is toegenomen. Het aantal zmp’ers (zelfstandigen mét personeel) is vrijwel constant gebleven en het aantal zzp’ers is licht gestegen. Opvallend is dat met name werkenden met een laag opleidingsniveau werkzaam zijn binnen een flexibele arbeidsrelatie.[9] De meest voorkomende flexvorm is de zzp’er-eigen-arbeid,[10] gevolgd door de oproepkracht. In de top vijf van beroepen met de meeste oproepkrachten staan vooral beroepen waarvoor weinig opleiding is vereist, zoals keukenhulp, vakkenvuller of barmedewerker. Daarnaast zijn oproepkrachten veruit de jongste flexwerkers. De gemiddelde leeftijd is 27 jaar. Bij uitzendkrachten en tijdelijke werknemers met uitzicht op een vast contract ligt de gemiddelde leeftijd met 37 jaar en 34 jaar een stuk hoger. Zzp’ers behoren juist vaker tot de oudere leeftijdsgroepen, 59 procent is 45 jaar of ouder. De zzp’er-eigen-arbeid is gemiddeld 46 jaar.[11]

Commissie Borstlap

Als gevolg van onder meer globalisering en technologische ontwikkelingen is er de laatste jaren veel meer diversiteit in arbeidsrelaties ontstaan. Hetzelfde geldt voor de contractvormen waarbinnen werk wordt verricht. Dat vraagt om passende wet- en regelgeving. De commissie Borstlap is in het leven geroepen om het kabinet te adviseren over de regulering van werk. Ze onderzoekt hoe werk er in de toekomst uit gaat zien en met wat voor wetten en regelgeving de overheid daar het beste bij kan aansluiten.

Vooruitlopend op haar eindrapport met beleidsaanbevelingen, schetst de commissie Borstlap een aantal voorlopige denkrichtingen voor het formuleren van beleid:

  1. Richt regels op een meer gelijk speelveld voor alle werkenden.
  2. Bevorder wendbaarheid en duurzame inzetbaarheid van alle werkenden.
  3. Stimuleer volwaardige participatie op de arbeidsmarkt.
  4. Maak regels robuust, uitlegbaar, uitvoerbaar en handhaafbaar.
  5. Stem nieuwe regels af op de verantwoordelijkheid voor goed werkgeverschap/opdrachtgeverschap en goed werknemerschap/opdrachtnemerschap.

Met betrekking tot het onderwerp Flexibele versus vaste arbeidsrelaties zijn voor de RMU met name denkrichting 1 en 2 interessant.

Denkrichting 1: Meer gelijk speelveld voor alle werkenden

De commissie Borstlap constateert dat het speelveld voor werkenden grote verschillen kent in bescherming en ordening al naargelang de contractvorm op basis waarvan men werkt. Uit sociale en economische overwegingen zou het van belang zijn om te komen tot een meer gelijk speelveld voor alle werkenden. Het toewerken naar een meer gelijk speelveld heeft volgens de commissie een arbeidsrechtelijke, een sociale zekerheids- en een fiscale route.

Arbeidsrechtelijke route: gelijke arbeidsvoorwaarden

De RMU is het eens met de commissie Borstlap dat er een meer gelijk speelveld voor alle werkenden moet worden gecreëerd. Zoals aangegeven door de commissie dreigt er een groeiende tweedeling in de samenleving. Zelfredzame hoogopgeleide werknemers krijgen relatief gemakkelijk een vast contract, met alle wettelijke bescherming die daarbij hoort. De lager opgeleiden die veel vaker in flexcontracten blijven hangen, hebben geen zekerheid.[12] Verder zijn steeds meer mensen werkzaam via een zzp-constructie waarbij het zeer de vraag is in hoeverre deze contractvorm een eigen keuze van de zzp’er is. Denk aan zzp’ers die werkzaam zijn voor PostNL[13], Deliveroo, Thuisbezorgd en Uber Eats.[14]

Hoewel een lastige opgave, kan volgens de RMU in wetgeving duidelijker worden vastgelegd wanneer iemand werknemer is (met veel bescherming) en wanneer iemand zelfstandige is (met veel vrijheid). Het resultaat moet zijn dat iemand alleen nog een zelfstandige kan zijn, als hij ook daadwerkelijk een onderhandelingspositie heeft en bijvoorbeeld over zijn tarief kan onderhandelen. Daar is in de huidige praktijk met schijnzelfstandigen geen sprake van.[15] Een eigenstandige positie van de zzp’er in het Burgerlijk Wetboek kan wellicht uitkomst bieden.

Een gelijk speelveld is verder alleen haalbaar als binnen een onderneming voor alle werknemers – ongeacht of sprake is van een vaste of flexibele contractvorm – gelijke mogelijkheden bestaan wat betreft scholings- en opleidingsmogelijkheden (zie hierna denkrichting 2).

De RMU is net als verschillende vakbonden van mening dat een gelijk speelveld er in elk geval niet toe mag leiden dat er een derde categorie werkenden bestaat: iets tussen werknemers en echte ondernemers in. Wat betreft de RMU is en blijft de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd het uitgangspunt.

Sociale zekerheidsroute: inkomensbescherming

De commissie Borstlap meent dat er sociale zekerheid moet komen voor iedereen die werkt. Het maakt niet uit of iemand in vaste dienst is bij een werkgever, een tijdelijk contract heeft of geld verdient als zzp’er. Enerzijds is de RMU er voorstander van om de risicoverschillen tussen ‘vast’ en ‘flex’ te verkleinen en ook op dat terrein een ‘gelijk speelveld’ voor alle werkenden te creëren. Anderzijds moet daarbij wel de vanouds autonome positie van zzp’ers niet uit het oog worden verloren.

Verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering

Van alle 1,1 miljoen zzp’ers in Nederland heeft maar liefst 41 procent niets geregeld voor het geval hij arbeidsongeschikt raakt. Veel zzp’ers hebben dan ook geen ruimte om economische teruggang op te vangen. Spaargeld is er vaak niet en een arbeidsongeschiktheidsverzekering al helemaal niet.[16] De grootste groep is niet verzekerd vanwege financiële redenen.[17]

In het principeakkoord over pensioenen is vastgelegd dat zelfstandigen zich straks verplicht verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid. De verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering kan op bijval van de RMU rekenen, zij het dat wel rekening gehouden moet worden met de autonomie van zelfstandigen.

Om de autonomie van zelfstandigen te respecteren kan gedacht worden aan de door hoogleraren Mies Westerveld en Gerrard Boot voorgestelde uitstapregeling (‘opt-out’). Zij stellen twee opties voor om aan een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering te ontsnappen: door af te zien van fiscale ondernemingsfaciliteiten óf door zelf een arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten met minimaal gelijkwaardige dekking. De positieve effecten van dit systeem, zoals zij die in Trouw voorstellen, zijn: “een eerlijke kans voor alle zzp’ers op een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid en een einde aan ‘perverse’ subsidies die werkgevers stimuleren onverzekerde arbeidskrachten in te huren. Werkgevers zullen in dit systeem nog voor zzp’ers willen kiezen vanwege positieve ervaringen met hun inzet of vanuit een behoefte aan flexibiliteit, niet langer vanwege de prijs van de arbeid als gevolg van de afwezigheid van sociale bescherming.”[18]

De RMU is er al met al voorstander van om de keuzevrijheid van zzp’ers niet té drastisch te beperken. Daarbij speelt mee dat de meeste zzp’ers niet zitten te wachten op een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Verplichtstelling pensioenopbouw voor zzp’ers

Volgens de RMU gaat een volledige verplichtstelling voor zzp’ers wat betreft het opbouwen van pensioen te ver, temeer omdat voor werknemers ook geen algemene wettelijke pensioenplicht geldt. Keuzevrijheid moet het uitgangspunt zijn en blijven wat betreft de RMU. Een werkbaar alternatief geeft de RMU in het hoofdstuk “Zelfstandigen zonder personeel” van deze nota: deelname aan bijvoorbeeld ZZP Pensioen met een verplichte minimale opbouw, met keuzevrijheid voor eventueel een hogere inleg.[19]

In plaats van verplichtstelling van pensioenopbouw, kan de overheid zich volgens de RMU beter inzetten op voorlichting over de fiscale voordelen die zzp’ers hebben met betrekking tot pensioenopbouw. Uit onderzoek uit 2017 blijkt dat bijna alle zzp’ers (91%) het belastingvoordeel van het gebruik van de fiscale jaarruimte te laag inschat.[20] Bijna twee derde van de zzp’ers weet bovendien niet eens wat fiscale jaarruimte is. De zogeheten jaarruimte is dat deel van je inkomen dat je fiscaal vriendelijk opzij mag zetten voor je pensioen. Juiste voorlichting kan ertoe leiden dat meer zzp’ers pensioen gaan opbouwen. 

Loondoorbetaling bij ziekte

Het kabinet heeft in haar regeerakkoord de wens uitgesproken om de loondoorbetalingsperiode voor kleine werkgevers (tot 25 werknemers) te verkorten van twee naar één jaar. Dit betekent een verlichting van de verplichting voor een groot deel van de Nederlandse bedrijven.

De RMU bepleit voor een verdere en algemene verkorting van de loondoorbetalingsperiode. De periode waarin een werkgever bij ziekte het loon doorbetaalt, dient bij alle arbeidsovereenkomsten (vast en flexibel en zowel bij grote als bij kleine werkgevers) te worden teruggebracht tot (maximaal) zes maanden. Ook internationaal gezien is de huidige doorbetalingsperiode in Nederland namelijk uitzonderlijk lang. Als de werkgever bij arbeidsongeschiktheid gedurende een half jaar het loon dient te blijven betalen, doet dat evengoed recht aan de verantwoordelijkheid van werkgevers voor de gezondheid en het welbevinden van hun werknemers. Een langere periode zadelt werkgevers op met grote risico’s. Vooral voor kleine werkgevers kan dat een belemmering opleveren voor het in vaste dient nemen van personeel.

Indien een werknemer langer dan zes maanden arbeidsongeschikt is, moet deze in aanmerking komen voor een publiek gefinancierde basisverzekering voor arbeidsongeschiktheid voor alle werkenden van bijvoorbeeld 18 maanden. Zowel mensen in vaste dienst, als flex- en uitzendkrachten maar ook zzp’ers dienen daar financieel aan bij te dragen en kunnen bij arbeidsongeschiktheid een beroep doen op die basisverzekering.

Deze maatregelen zullen tot gevolg hebben dat werkgevers meer dan tot nu toe bereid zullen zijn om werknemers een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden. Dat is zowel in het belang van werknemers als van werkgevers. Ook komt dat de omvang van de economische bestedingen ten goede. 

Fiscale route: verkleinen van fiscale verschillen

De commissie Borstlap constateert dat er momenteel grote verschillen zijn in fiscale behandeling van de onderscheiden categorieën werkenden. Het effect van deze verschillen op de groei van met name het aantal zzp’ers is volgens de OESO aanzienlijk geweest. Het bewerkstelligen van een gelijk speelveld voor alle werkenden leidt er daarom toe dat ook het fiscale stelsel herzien moet worden. Met het herzien van het fiscale stelsel bepleit de RMU niet dat opeens alle ondernemersfaciliteiten afgeschaft moeten worden. Wel pleit de RMU voor het bezinnen op de huidige faciliteiten voor zelfstandigen.

Dat zou er vervolgens toe kunnen leiden dat de zelfstandigenaftrek wordt beperkt in hoogte of in tijd, zodat zzp’ers op een meer gelijk niveau komen te staan met andere werkenden. De keuze voor het zelfstandig ondernemerschap wordt zo vanzelf een overtuigende keuze die niet afhankelijk is van belastingvoordelen. Met deze maatregel denkt de RMU schijnzelfstandigheid tegen te gaan. De RMU onderschrijft de plannen van het kabinet om de zelfstandigenaftrek jaarlijks te verlagen en het geld dat daarmee vrijkomt te gebruiken om de loonheffingskorting te verhogen.[21] Daarvan profiteren alle mensen in loondienst. De RMU verwacht dat hiermee het verschil tussen flex- en vast werk kleiner wordt.

Denkrichting 2: bevorderen van de wendbaarheid en duurzame inzetbaarheid van alle werkenden

Zoals minister Koolmees aangeeft in een Kamerbrief, doen zich op de arbeidsmarkt verschuivingen voor in gevraagde kennis en vaardigheden vanwege digitalisering, automatisering, technologisering, verduurzaming en de energie- en klimaattransities. Om blijvend inzetbaar te zijn op deze dynamische arbeidsmarkt is het belangrijk dat mensen zich blijven ontwikkelen, zodat hun kennis en vaardigheden aansluiten bij de huidige eisen.[22]

Zo vindt ook de commissie Borstlap. Wendbaarheid en duurzame inzetbaarheid van alle werkenden zijn volgens de commissie essentiële voorwaarden voor het waarborgen van de waarde van werk in een goed functionerende economie en maatschappij. Het moet daarom vanzelfsprekend zijn dat gedurende het gehele werkzame leven geïnvesteerd wordt in duurzame inzetbaarheid.

De bevordering van wendbaarheid en duurzame inzetbaarheid van alle werkenden wordt volgens de RMU terecht als een belangrijke denkrichting genoemd. De RMU onderschrijft de noodzaak om te blijven ontwikkelen en is daarom enthousiast over de initiatieven met betrekking tot Leven Lang Ontwikkelen (LLO). Mede ook omdat de RMU meerdere malen opgeroepen heeft tot het structureel meer aandacht besteden aan de opleiding en ontwikkeling van de werknemer.

Scholing voor alle werkenden

Belangrijk is dat de scholings- en opleidingsmogelijkheden voor alle werkenden beschikbaar komen. De contractvorm van een werkende kan immers een belemmering zijn in de stap naar scholing en opleiding. Werkenden met een flexibele arbeidsrelatie hebben doorgaans minder scholingsmogelijkheden en doorgroeimogelijkheden dan werkenden met een vaste arbeidsrelatie. Ook de OESO waarschuwt dat bedrijven minder geneigd zijn om te investeren in flexwerkers.[23] Dit laat zien dat het belangrijk is dat LLO onafhankelijk moet zijn van contractvorm.

Inzetten op scholing van lager- en middelbaaropgeleiden

In de praktijk blijken vooral lager- en middelbaaropgeleiden weinig gebruik te (kunnen) maken van scholings- en opleidingsmogelijkheden, terwijl juist de beroepen van deze werkenden aan verandering of ontwikkeling onderhevig zijn. Willen zij in hun vakgebied bijblijven óf makkelijk de overstap kunnen maken naar beroepen waar meer vraag naar is, dan is bijscholing, herscholing of opscholing van bijvoorbeeld mbo 2 naar mbo 3 en 4 wenselijk.[24] Het is daarom van belang dat de overheid scholing en opleiding met name voor deze groep werkenden stimuleert en daarvoor publieke middelen beschikbaar stelt.

Doorrekening leerrechten-systeem

In opdracht van MBO Raad, MKB-Nederland, NRTO en VNO-NCW is onderzoek gedaan naar de effecten van een leerrechtensysteem waarbij iedere burger na zijn beroepsopleiding recht heeft om gedurende zijn loopbaan een door de overheid erkende vorm van scholing te volgen.[25] In de voorgestelde regeling is de omvang van de leerrechten in euro’s gelijk aan het gemiddelde verschil in kosten die de overheid maakt voor een nominaal (dat is, zonder vertraging) gevolgde en afgeronde wo-masteropleiding vergeleken met de gemiddelde kosten van het niveau van de feitelijk nominaal afgeronde opleiding. Lager opgeleiden krijgen daarmee meer leerrechten dan hoger opgeleiden.[26] Deze regeling sluit aan bij de wens van de RMU om publieke middelen vooral beschikbaar te stellen voor de lager- en middelbaaropgeleiden.

Uit het onderzoek blijkt dat investeren in scholing en ontwikkeling van werkenden en werkzoekenden bijdraagt aan de duurzame inzetbaarheid van mensen en tot het terugdringen van inkomensongelijkheid. Verder dalen de sociale zekerheidslasten en nemen de belastingopbrengsten voor de overheid toe.[27] De RMU is blij met de uitkomst van dit onderzoek omdat het handvatten biedt voor een werkbaar leerrechten-systeem dat zichzelf ruimschoots terugverdient. Het is tijd dat er in het kader van LLO nu daadwerkelijk stappen worden genomen.

Vergroten van interne flexibiliteit en beperken van externe flexibiliteit

De blijvende inzet op scholing en ontwikkeling is volgens de RMU tot slot belangrijk om de interne flexibiliteit te vergroten en op die manier de externe flexibiliteit te beperken. Enerzijds leidt scholing er immers toe dat werknemers binnen hun organisatie breder inzetbaar worden, anderzijds dat er voor de werkgever minder behoefte bestaat aan het inzetten van flexibele arbeidskrachten van buiten de organisatie. Door scholing kan de behoefte aan flexibele arbeidskrachten worden verkleind.

Ook op andere vlakken is het bereiken van meer interne flexibiliteit cruciaal in een veranderende arbeidsmarkt. Te denken valt aan het streven naar meer medezeggenschap voor werknemers over hun werktijden, zodat zorg en werk beter te combineren zijn. Daarmee wordt tegelijk de prikkel om als zzp’er aan de slag te gaan beperkt. Deze stappen zullen de duurzame inzetbaarheid van alle werkenden bevorderen.


Bronnen:

[1] Pelgrim, C. (21 juni 2019). Stop de flextrend, zegt de commissie-Borstlap. NRC. https://www.nrc.nl/nieuws/2019/06/21/stop-de-flextrend-zegt-borstlap-a3964655

[2] Pelgrim, C. (21 juni 2019). Stop de flextrend, zegt de commissie-Borstlap. NRC. https://www.nrc.nl/nieuws/2019/06/21/stop-de-flextrend-zegt-borstlap-a3964655

[3] Van der Leij, L. (3 december 2018). Nieuwe arbeidswet is deeloplossing. FD.

https://fd.nl/economie-politiek/1280538/nieuwe-arbeidsmarktwet-is-deeloplossing

[4] Leupen, J. (3 december 2018). Nieuwe arbeidswet is ‘een aspirientje voor een ernstige kwaal’ FD. https://fd.nl/economie-politiek/1280362/nieuwe-arbeidsmarktwet-is-een-aspirientje-voor-een-ernstige-kwaal

[5] Van der Leij, L. (3 december 2018). Nieuwe arbeidswet is deeloplossing. FD.

https://fd.nl/economie-politiek/1280538/nieuwe-arbeidsmarktwet-is-deeloplossing

[6] Leupen, J. (3 december 2018). Nieuwe arbeidswet is ‘een aspirientje voor een ernstige kwaal’ FD. https://fd.nl/economie-politiek/1280362/nieuwe-arbeidsmarktwet-is-een-aspirientje-voor-een-ernstige-kwaal

[7] Kousbroek, J. (23 januari 2019). Wetsontwerp ‘arbeidsmarkt in balans’ zonder zzp-visie per definitie achterhaald. FD. https://fd.nl/opinie/1286464/wetsontwerp-arbeidsmarkt-in-balans-zonder-zzp-visie-per-definitie-achterhaald#

[8] OECD (juni 2019). OECD input to the Netherlands Independent Commission on the Regulation of Work.

[9] Discussienota van de Commissie regulering van werk over toekomstbestendig arbeidsrecht, sociale zekerheid en fiscaliteit (20 juni 2019). Bijlage 2.

[10] Met de zzp’er-eigen arbeid worden zzp’ers bedoeld die vooral eigen arbeid of diensten aanbieden aan bedrijven of aan particulieren. In 2018 was een ruime meerderheid (80 procent) van de zzp’ers een zogenaamde zzp’er-eigen arbeid.

[11] CBS (14 februari 2019). Aantal flexwerkers in 15 jaar met drie kwart gegroeid.

https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/07/aantal-flexwerkers-in-15-jaar-met-drie-kwart-gegroeid

[12] Pelgrim, C. (20 juni 2019). Wildgroei aan contractvormen vergroot tweedeling. NRC. https://www.nrc.nl/nieuws/2019/06/20/wildgroei-aan-contractvormen-vergroot-tweedeling-a3964479

[13] Zembla (6 juni 2018). Je werkt je drie slagen in de rondte en je hebt nog niks: dit gebeurde er bij PostNL. https://zembla.bnnvara.nl/nieuws/je-werkt-je-drie-slagen-in-de-rondte-en-je-hebt-nog-niks-dit-gebeurde-er-bij-postnl

[14] Blotenburg, S. (25 juni 2019). Maaltijdbezorgers financieel uitgeknepen, krijgen veel te weinig loon. RTLZ. https://www.rtlz.nl/business/artikel/4758046/deliveroo-thuisbezorgd-uber-ubereats-maaltijdbezorger-salaris-loon-fnv

[15] Pelgrim, C. (20 juni 2019). Wildgroei aan contractvormen vergroot tweedeling. NRC. https://www.nrc.nl/nieuws/2019/06/20/wildgroei-aan-contractvormen-vergroot-tweedeling-a3964479

[16] Rodenburg, S. (4 juli 2019). Vier op de tien zzp’ers doet niets tegen arbeidsongeschiktheid. RTLZ. https://www.rtlz.nl/business/zzp/artikel/4767206/zzp-arbeidsongeschiktheid-verzekering-sparen-beleggen-pensioen

[17] Van der Schrier, M. (4 juli 2019). Vier op de tien zzp’ers heeft geen voorziening voor arbeidsongeschiktheid. AD. https://www.ad.nl/ad-werkt/vier-op-de-tien-zzp-ers-heeft-geen-voorziening-voor-arbeidsongeschiktheid~a16376ad/?referrer=https://www.google.com/

[18] Westerveld, M. & Boot, G. (1 augustus 2019). Dé zzp’er bestaat niet, de noodzaak tot sociale bescherming van zelfstandigen wél. Trouw. https://www.trouw.nl/opinie/de-zzp-er-bestaat-niet-de-noodzaak-tot-sociale-bescherming-van-zelfstandigen-wel~bdf7e51f/

[19] RMU (n.d.). Zelfstandigen zonder personeel. Nota Arbeidsvoorwaardenbeleid 2019. https://www.rmu.nu/zzp

[20] Onderzoek GfK ‘kennis jaarruimte’, november 2017, onder 511 zzp’ers, in opdracht van BrightPensioen en Allianz.

[22] Kamerbrief 24 juni 2019 betreft Oudere werkenden en leven lang ontwikkelen

[23] Pelgrim, C. (21 juni 2019). Stop de flextrend, zegt de commissie-Borstlap. NRC. https://www.nrc.nl/nieuws/2019/06/21/stop-de-flextrend-zegt-borstlap-a3964655

[24] VNO-NCW, MKB-Nederland, MBO-Raad en NRTO (27 juni 2019). Leerrechten doorgerekend.

[25] SEO economisch onderzoek (December 2018). Leerrechten doorgerekend. Amsterdam SEO-rapport, nr. 2018-114.

[26] VNO-NCW, MKB-Nederland, MBO-Raad en NRTO (27 juni 2019). Leerrechten doorgerekend.

[27] Hulsbosch-Sizoo, M. (27-06-2019). Doorrekening bewijst dat het kan: leerrechten voor elke burger. https://www.mboraad.nl/nieuws/doorrekening-bewijst-dat-het-kan-leerrechten-voor-elke-burger

Delen