Echte zzp’ers versus schijnzelfstandigen

Dit is onderdeel van de RMU-nota Arbeidsvoorwaardenbeleid 2020.

De groei van het aantal zzp’ers en flexbanen leidt tot grote problemen”, “Steeds meer zzp’ers werken onverzekerd”, “Zzp’ers grootste risico op armoede”. Zomaar wat krantenkoppen en titels van artikelen op internet die gaan over zzp’ers. Na jaren positief in het nieuws te hebben gestaan  lijkt het de laatste jaren alsof er alleen maar negatief of terughoudend wordt gesproken over deze groep ondernemers. Hoe komt het dat de zzp’er na al die jaren van lofzangen nu opeens in de hoek staat waar de klappen vallen?

Achtergronden
• Groei economie vlakt iets af
• Vraag naar arbeid blijft groot
• Opkomst ZZP’ers
• Nieuw pensioenakkoord
• Zelfstandigenaftrek verlaagd

Economische groei
Het Centraal Planbureau publiceerde in juni de economische vooruitzichten voor de tweede helft van het jaar 2019 en voor 2020. Door een ‘gure wind’ uit het buitenland valt de groei van de Nederlandse economie terug; de groei van de Nederlandse uitvoer neemt af. Het CPB noemt het opvallend dat de afzwakking van de productiegroei nog nauwelijks invloed heeft gehad op de arbeidsmarkt. Die blijft krap met tot nu toe nog steeds toenemende vacatures en snelle werkgelegenheidsgroei. De werkloosheid blijft laag, maar loopt wel wat op in 2020.
In 2017 groeide de Nederlandse economie met 3,2 procent; de hoogste groei na 2007. Na een groei van 2,7 procent in 2018 wordt een groei van 1,7 procent verwacht voor 2019 en voor 2020 een groei van 1,5 procent.

De laatste twee jaren kwamen er steeds meer banen bij en de werkloosheid en het aantal WW-uitkeringen daalden aanzienlijk. Ook uit de UWV Arbeidsmarktprognose 2019-2020 kan worden opgemaakt dat het UWV verwacht dat de groei vertraagt en dat de werkloosheid licht stijgt. Werkgevers hadden en hebben nog steeds veel moeite om personeel te vinden. De grootste knelpunten doen zich voor in de zorg, de bouw, het onderwijs, de technische beroepen, vervoer en opslag en bij informatie en communicatie. De laatste jaren kregen meer werknemers de behoefte om als ‘zelfstandig werkende’ de inhoud van hun arbeid zelf in te vullen en werktijden flexibel in te delen. Daarnaast proberen bedrijven als gevolg van toenemende (internationale) concurrentie hun flexibiliteit te vergroten. Het inschakelen van zzp’ers maakt deze flexibiliteit mogelijk. Ook fiscale prikkels spelen een belangrijke rol in de toename van het aantal zzp’ers.

Toenemende flexibilisering kan prima zijn als deze het gevolg is van voorkeuren van aan de ene kant werkgevers en opdrachtgevers en aan de andere kant van werknemers en opdrachtnemers. Uit een onderzoek dat enkele jaren geleden is gehouden, is gebleken dat een groot deel (80-90 procent) van de personen met een tijdelijk contract, uitzendbaan of payrollcontract een vaste baan heel belangrijk vindt. Uit datzelfde onderzoek bleek dat slechts een kwart van de zzp’ers een vast contract belangrijk vindt. Dat neemt niet weg dat binnen de groep zzp’ers een flinke dynamiek aanwezig is. Ruim een kwart van hen heeft ook een contract in loondienst of keert daar na verloop van tijd naar terug. Dit kan het gevolg zijn van veranderende voorkeuren, maar ook van het feit dat men niet succesvol is als zzp’er. Van de startende zzp’ers is na vier jaar ruim 60 procent nog actief als ondernemer. Van de zzp’ers die stoppen (uitstromen) ging het afgelopen jaar bijna de helft aan de slag als werknemer, voornamelijk op flexibele basis. Sinds 2013 is het aantal zzp’ers dat stopt en als werknemer aan de slag ging sterker gestegen dan het aantal zzp’ers dat stopte met werken. Dit is waarschijnlijk te verklaren door het herstel van de arbeidsmarkt waardoor er een grotere kans is op het vinden van een baan als werknemer. Of de Wet DBA van invloed is geweest op deze trend is nog niet vast te stellen, maar wel als waarschijnlijk te veronderstellen.

Opkomst zzp’ers
In Nederland bedraagt de beroepsbevolking ongeveer 9,2 miljoen werkenden. Hiervan is ongeveer 1 miljoen zzp’er. De groei is met name in de periode tussen 2001 en 2007 ontstaan door de introductie van de Verklaring arbeidsrelatie (VAR) en het afschaffen van de aansprakelijkheid voor naheffingen bij de opdrachtgever, de verhoging van aftrekposten en de afschaffing van een verplichte arbeidsongeschiktheidspremie voor zelfstandigen (WAZ). Sinds hun opmars zijn de zzp’ers regelmatig onderwerp van gesprek. Betalen de zzp’ers te weinig belasting? Zijn de fiscale regelingen die ze genieten niet veel te ruim? Bouwen ze niet te weinig pensioen op? Werken ze niet in schijnconstructies? De vraag is daarom ook terecht hoe de opkomst van de zzp’er moet worden bezien in relatie tot het arbeidsrecht, de werknemersverzekeringen en de fiscale regels.

De gemiddelde zzp’er is wat betreft inkomen niet slechter af dan een werknemer, maar de spreiding binnen de groep is wel groter waardoor er relatief veel zzp’ers zijn met een laag inkomen. Dit lage inkomen wordt gecompenseerd door de lagere belasting- en premiedruk en een hogere toeslagenaanspraak waardoor het besteedbaar inkomen per saldo gelijk is aan dat van werknemers. Niet zozeer is het besteedbaar inkomen het probleem, maar wel de grote aantallen zzp’ers die zich niet verzekerd hebben tegen het risico van ziekte en arbeidsongeschiktheid en niet aanvullend sparen voor hun pensioen.

Probleem 1 – werknemersverzekeringen

Een zzp’er draagt geen premies voor werknemersverzekeringen af en hij is bij (langdurige) ziekte of arbeidsongeschiktheid niet automatisch verzekerd van inkomen. Hiervoor kan vrijwillig een verzekering afgesloten worden, maar de premies kunnen voor bepaalde categorieën zzp’ers relatief hoog zijn. Zzp’ers met een medisch verleden kunnen te maken krijgen met strengere verzekeringsvoorwaarden of kunnen zelfs helemaal geen verzekering afsluiten. Deze categorie ondernemers kan zich echter wel via het UWV verzekeren, zij het dat zij zich binnen 13 weken nadat de verplichte verzekering is afgelopen hiervoor moeten aanmelden. Daarnaast is er ook een vangnetverzekering voor zzp’ers die om medische redenen geen gewone arbeidsongeschiktheidsverzekering kunnen afsluiten. Hoewel deze vangnetverzekering een verplichte acceptatie door de verzekeraar biedt, kent deze wel een slechtere dekking. Zo is het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid voor eigen risico van de ondernemer en is de hoogte van de uitkering vastgesteld op 70 procent van het minimumloon (N.B.: het minimumloon voor 2019 bedraagt 1.635,60 euro bruto per maand). Uit de tweejaarlijkse Zelfstandigen Enquete Arbeid van TNO en het CBS is gebleken dat 41 procent van de zelfstandigen zonder personeel niets heeft geregeld in het geval zij arbeidsongeschikt zouden worden. Met name de zelfstandigen met de lagere inkomens hebben niets geregeld; daar ligt het percentage op 65 procent. De meest gehoorde redenen om niets tegen arbeidsongeschiktheid te doen zijn: “kosten wegen niet op tegen de baten” en “kan het niet betalen”. Opvallend is dat de zzp’ers die zich verzekerd hebben ongeveer evenveel van hun bruto-inkomen afdragen aan premies voor arbeidsongeschiktheid als werknemers. Zzp’ers dragen 7,0 procent af en werknemers 8,1 procent. Volgens onderzoeksbureau GfK ondernemen zzp’ers weinig actie om zich in te dekken tegen financiële risico’s. Het lijkt zelfs dat veel zzp’ers geneigd zijn hun ogen te sluiten voor financiële risico’s, waaronder het niet hebben van een voorziening die inkomen garandeert bij langdurige ziekte of arbeidsongeschiktheid.

Probleem 2 – sociale zekerheidsstelsel

De forse toename van het aantal zelfstandigen brengt ook risico’s voor het sociale zekerheidsstelsel met zich mee. Door het niet verplicht afdragen van sociale premies (premies werknemersverzekeringen), dreigt het sociale stelsel ondermijnd te worden. Hoewel de zzp’er geen aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze sociale voorzieningen, is het denkbaar dat hij vroeg of laat bij de overheid zal moeten aankloppen voor financiële steun, bijvoorbeeld voor een bijstandsuitkering. Hierdoor betaalt de gemeenschap, vanuit haar maatschappelijke taak om individuen te hulp te schieten, uiteindelijk de rekening. Zo berichtte het CBS dat - aan de hand van de aangiftes inkomstenbelasting over het jaar 2014 - is vastgesteld dat 4 op de 10 zzp’ers geen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betaalt. Het is voor het eerst dat het CBS dit heeft becijferd. Nu werd al langere tijd vermoed dat dit het geval was, maar deze cijfers lijken een bevestiging daarvan. Met name partijen en organisaties die bezorgd zijn over de dreigende uitholling van het sociale zekerheidsstelsel zullen hiermee hun vermoeden bevestigd zien en zullen dit ook gebruiken om nog meer te pleiten voor hervorming van het sociale stelsel. Met de verdere groei van het aantal zzp’ers zal dit dreigende probleem alleen maar groter worden als er geen verandering komt in het sociale zekerheidsstelsel. Overigens komen de waarschuwende signalen niet alleen uit Nederland zelf. Zo heeft de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) laten weten dat zij zich zorgen maakt over de snelle groei van het aantal zzp’ers. De OESO stelt dat werkenden niet genoeg profiteren van de economische groei en wijst daarbij expliciet naar de zzp’ers. Doordat er nog geen minimumtarieven zijn voor zzp’ers, blijven hun lonen achter. De OESO dringt er op aan dat dit kan worden opgelost door het verschil tussen werknemers en zzp’ers te verkleinen. Heel concreet stellen ze voor om de belastingvoordelen van zzp’ers te verlagen en sociale verzekeringen in te voeren. Tegelijk adviseert zij om het ontslagrecht te versoepelen, zodat makkelijker personeel kan worden aangenomen en er minder aanleiding is om zzp’ers in te schakelen.

Probleem 3 - pensioen

Daarnaast bouwen zzp’ers niet automatisch pensioen op naast de AOW. Een verdere aanvulling zal dan ook zelf moeten worden geregeld. Over het algemeen bouwt de zelfstandig ondernemer minder pensioen op dan branchegenoten die in loondienst zijn. Dat zzp’ers te weinig pensioen opbouwen is nu ook echt aangetoond middels het rapport ‘Zelfstandigen zonder pensioen’ van Zwinkels e.a.. De conclusies van dit rapport komen er in het kort op neer dat zzp’ers vaker dan werknemers geen pensioen opbouwen ter grootte van 70 procent van het inkomen, er een grote spreiding van de pensioenopbouw is onder zzp’ers in vergelijking met werknemers en dat zzp’ers voor hun pensioen meer zijn aangewezen op vrije besparingen en vermogen dat is opgebouwd in de eigen woning. Slechts een klein deel van de zzp’ers bouwt een reserve op voor de oude dag. Dit is onder meer te wijten aan het lage ‘pensioenbewustzijn’, het idee dat de premies en kosten van een eigen pensioenvoorziening hoog uit zullen vallen en aan de vrees dat de pensioenuitkering uiteindelijk laag zal uitvallen. Het kabinet heeft in ieder geval een beperking weggenomen door te besluiten dat zzp’ers met ingang van 1 januari 2016 niet eerst hun pensioen hoeven aan te spreken voordat zij een bijstandsuitkering kunnen aanvragen (de zogenaamde vermogenstoets). De regeling geldt voor pensioenen tot 250.000 euro.

Pensioenakkoord
Op 5 juni 2019 hebben de Sociaal Economische Raad (SER) en minister Koolmees overeenstemming bereikt over een nieuw pensioenstelsel. Daarbij zijn ook afspraken gemaakt voor zelfstandige ondernemers. Alhoewel er voor zelfstandigen al mogelijkheden waren om pensioen op te bouwen, wordt het makkelijker om pensioen op te bouwen doordat zij eenvoudiger toegang krijgen tot de pensioenfondsen, iets wat eerder niet mogelijk was. Deelname aan een pensioenregeling wordt niet verplicht; de keuze ligt bij de ondernemer zelf. Omdat er geen verplichting komt, zal moeten worden afgewacht wat het effect zal zijn. De RMU is van mening dat het ook aan de overheid is om zelfstandigen op dit gebied voor te lichten en het belang van een appeltje voor de dorst onder de aandacht te brengen.

Er komt voor zelfstandigen de plicht om het risico van arbeidsongeschiktheid te verzekeren. Door het verplichte karakter wordt de premie beter betaalbaar en worden ondernemers beschermd tegen de grote risico’s die ze lopen bij langdurige arbeidsongeschiktheid. Hoe een en ander er precies uit komt te zien is nog niet duidelijk; daar zal nog een concreet wetsvoorstel voor moeten komen. Het kan zijn dat dit een aparte verzekering voor zelfstandigen wordt, of bijvoorbeeld een verzekering voor alle werkenden. Voor dat laatste heeft de RMU al eerder gepleit in de Nota Arbeidsvoorwaarden van 2019. Naar verwachting zal het wetsvoorstel in 2020 worden uitgewerkt. Wat de RMU betreft geeft het nieuwe pensioenakkoord blijk van de wens  van kabinet, werkgevers en vakbonden om voor zelfstandigen te zorgen. Ongetwijfeld zullen er ondernemers zijn die niet blij zijn met de verplichte verzekering. De RMU hoopt dat er dan ook goede regelingen komen die bovendien voor iedere zzp’er betaalbaar zijn. In ieder geval moet er onder voorwaarden de mogelijkheid van een opt-out worden ingebouwd.

Opdrachtgeversverklaring
De aanpak van zogenaamde schijnconstructies heeft hoge prioriteit bij de overheid. Een schijnconstructie is een constructie waarbij zzp’ers weliswaar op papier als ondernemer werkzaam zijn voor opdrachtgevers, maar waar er op basis van de feitelijke situatie eigenlijk sprake is van een arbeidsovereenkomst. Bij een dergelijke constructie vindt er geen afdracht van loonheffing plaats. Om die schijnconstructies tegen te gaan is per 1 mei 2016 de Wet DBA (Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties) in de plaats van de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) gekomen. De wet beoogde de nodige duidelijkheid te geven over de vraag of er al dan niet sprake is van een dienstbetrekking tussen opdrachtgevers (inleners) en opdrachtnemers (zzp’ers). Inmiddels weten we hoe het de Wet DBA is vergaan: al voor de introductie werd deze verguist, wordt deze nauwelijks gehandhaafd en komt er een nieuwe regeling. De inhoud van deze regeling is nog niet definitief, maar de verwachting is dat deze onder meer zal bestaan uit een webmodule waarmee  een zogenaamde Opdrachtgeversverklaring kan worden aangevraagd. In de webmodule zouden duidelijke vragen staan die helderheid zouden moeten verschaffen over de aard van de werkzaamheden. Met name zouden de vragen gericht zijn op het element gezagsverhouding.

Naast de webmodule zullen er voorwaarden komen zoals een minimumtarief van € 16,- per uur. Het kabinet heeft berekend dat dit tarief voldoende is om van te kunnen leven, inclusief het treffen van maatregelen zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioenopbouw. Niet alleen aan de ‘onderkant’, maar ook aan de ‘bovenkant’ van de arbeidsmarkt wordt gekeken naar tarieven van zzp’ers. Als opdrachtgevers een zzp’er met een hoog uurtarief inhuren lopen zij geen risico op naheffingen loonbelasting en premies werknemersverzekeringen, een zogenaamde ‘opt out’. Dit zou alleen gelden voor een situatie waarbij een hoog uurtarief (hoger dan 75 euro) wordt gecombineerd met een korte duur van de overeenkomst (korter dan een jaar) en als er geen sprake is van het verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten. Overigens zal de handhaving van de Wet DBA verder uitgesteld worden tot 2021, het jaar waarin de nieuwe wet waarschijnlijk zal worden ingevoerd.

Deliveroo
Een treffend voorbeeld van hoe lastig het is om een arbeidsrelatie in een hokje te duwen is wel de kwestie die speelt bij Deliveroo. Deliveroo is een bedrijf waarmee maaltijden aan huis worden bezorgd door middel van fiets- en scooterkoeriers. De koeriers die voor Deliveroo bezorgen, hebben geen arbeidsovereenkomst, maar werken als zzp’er. De rechtbank Amsterdam oordeelde in januari dit jaar dat bezorgers van Deliveroo geen zzp’ers zijn en dus aanspraak kunnen maken op een arbeidsovereenkomst. In een eerdere rechtszaak tegen Deliveroo oordeelde de rechtbank Amsterdam dat er wel sprake was van een zzp-contract. Hoewel dit een individueel geval betrof, is wel duidelijk dat het niet eenvoudig is om een eenduidig antwoord te geven op de vraag of er al dan niet sprake is van een zzp-constructie. Als de politiek constructies zoals bij Deliveroo niet wenselijk vindt, dan zullen ze juist meer evenwicht moeten brengen in het verouderde arbeidsrecht. Dit is ook een van de aanbevelingen die de Commissie Borstlap heeft gedaan en de RMU al langer bepleit. De Commissie Borstlap stelt dat de verschillen tussen categorieën werkenden te groot is. Zij bepleit ook een ‘universeel fundament’ voor inkomensbescherming van alle werkenden bij risico’s van arbeidsongeschiktheid, ziekte en ouderdom.

Visie van de RMU

Het vrije ondernemerschap staat vrijwel synoniem voor economische groei. Zo creëren bedrijven in de regel banen en werkgelegenheid. Daarom vindt de RMU dat aan ondernemers ruimte gegeven moet worden en er goede randvoorwaarden moeten gelden. Dit komt onder meer tot uitdrukking in een lagere belastingheffing voor ondernemers ten opzichte van bijvoorbeeld werknemers.

Ondernemers zullen een deel van het winstinkomen moeten gebruiken voor het doen van investeringen. Daarnaast adviseert de RMU dat ondernemers zichzelf verzekeren of reserveringen vormen voor het risico van ziekte, arbeidsongeschiktheid en financiële- en economische tegenslagen.

Omdat het behalen van winstinkomen ondernemersrisico met zich meebrengt, vindt de RMU het terecht om het winstinkomen lager te belasten dan het arbeidsinkomen. De MKB-winstvrijstelling draagt door de werking als korting op het belastingtarief bij aan deze doelstelling. Volgens de werkgroep die een interdepartementaal beleidsonderzoek naar zelfstandigen zonder personeel (IBO ZZP) deed, dragen de fiscale ondernemersfaciliteiten echter niet allemaal effectief bij aan de doelen die met deze instrumenten worden nagestreefd, namelijk het creëren van financiële ruimte voor ondernemers om zelf sociale zekerheid en pensioenvoorziening te kunnen regelen. De verschillen in regelgeving maken het voor werkenden echter wel aantrekkelijk om het werk als zzp’er aan te bieden en maken het voor een opdrachtgever interessant om de werkzaamheden door een zzp’er uit te laten voeren. Dit verschil in belastingdruk roept de vraag op of de wetgever in het recente verleden wel voldoende oog heeft gehad voor een goede balans tussen de belastingdruk van zelfstandigen en werknemers.

De RMU meent dat de MKB-winstvrijstelling, de stimulering via de zelfstandigenaftrek en startersaftrek kunnen leiden tot tenminste calculerend gedrag. Sinds de VAR-verklaringen ‘winst uit onderneming’ en VAR-dga een vrijwarende werking hadden voor opdrachtgevers als het gaat om de naheffing van loonbelasting en premies werknemersverzekeringen, heeft het aantal zzp’ers een grote vlucht genomen. En calculerend gedrag heeft nu eenmaal in zich dat dit een vorm van schijnzelfstandigheid in de hand kan werken. Dit is overigens niet alleen de zzp’er toe te rekenen, maar ook de partijen die zzp’ers inlenen. Het komt voor dat opdrachtgevers de zzp’ers ‘dwingen’ hun tarieven laag te houden en hiervoor het argument gebruiken dat zij de zelfstandigenaftrek kunnen toepassen. Dit zorgt er feitelijk voor dat de zelfstandigenaftrek in de zak van de opdrachtgever verdwijnt. Een en ander heeft tot gevolg dat een werknemer relatief duurder wordt dan het inhuren van zzp’ers. De regering heeft dit ook ingezien en verlaagt daarom de  zelfstandigenaftrek in tien jaar tijd van € 7.280 naar € 5.000,-. Deze maatregel kost een zelfstandige ongeveer € 1.000,- netto per jaar.

De Wet DBA heeft het nodige stof doen opwaaien en is inmiddels van tafel. Het zal moeten blijken of de Opdrachtgeversverklaring het antwoord is op het probleem van schijnconstructies. De oplossing zal volgens de RMU vooral gezocht moeten worden in de oorzaak van het probleem, namelijk het verschil in belastingdruk voor werknemers en zelfstandigen enerzijds en het verschil tussen vast en flexibel werk anderzijds. Met andere woorden: er zal een gelijk speelveld moeten komen voor alle vormen waarin arbeid wordt aangeboden. De RMU vindt het doel van het plan om personen die tegen een te laag uurtarief werken dezelfde rechten te geven als een werknemer positief (zij het dat het concept wetsvoorstel Minimumbeloning zelfstandigen wel de nodige vragen oproept) en hoopt dat werkgevers zich realiseren dat ook zij een verantwoordelijkheid hebben voor wat betreft het betalen van een redelijk salaris. Hopelijk leidt deze maatregel tot meer dienstverbanden en daarmee tot minder schijnconstructies.

Met de invoering van de Wet DBA werd geprobeerd om de in toenemende mate flexibiliserende arbeidsverhoudingen in een bestaand wettelijk kader te gieten dat uitgaat van de klassieke werkgever-werknemer-verhouding. De RMU meent dat het veel meer voor de hand ligt dat er een fundamentele herziening van de stelsels komt, die recht doet aan de huidige en toekomstige arbeidsmarkt, en waarbij er een gelijk speelveld gecreëerd wordt voor de vormen waarin er arbeid wordt aangeboden.

Het bewerkstelligen van een gelijk speelveld waarin arbeid wordt aangeboden, leidt ertoe dat het fiscale stelsel als ook het sociale zekerheidsstelsel zal moeten worden herzien. Met het herzien van het fiscale stelsel bepleit de RMU niet dat opeens alle ondernemersfaciliteiten afgeschaft moeten worden.

De RMU bepleit bezinning op het niveau van de huidige fiscale faciliteiten voor zelfstandigen, zoals de zelfstandigenaftrek. Hierbij zou gedacht kunnen worden aan het verlagen van het bedrag van de zelfstandigenaftrek, waarbij het bedrag van de verlaging wordt ingezet voor een hogere startersaftrek. Gedurende de eerste drie jaren vanaf de start hebben de startende zzp’ers in deze uitwerking zowel recht op de zelfstandigenaftrek als ook de hogere startersaftrek. Omdat een opstartperiode enige (financiële) onzekerheid en nieuwe aspecten met zich meebrengt, waarbij de focus gedurende de start van het zzp-bestaan veelal ligt op het verdienen van geld in plaats van het treffen van maatregelen om financiële- en arbeidsongeschiktheidsrisico’s uit te sluiten, worden startende zzp’ers op deze wijze fiscaal gefaciliteerd.

Na deze startperiode van drie jaren worden zzp’ers in staat geacht om zelf in voldoende mate in inkomen te voorzien en als zodanig financieel solide geacht om voorzieningen te treffen voor onverhoopte toekomstige financiële- en arbeidsongeschiktheidsrisico’s die blijvend worden gelopen en bestaat er na de drie jaren nog recht op de toepassing van de verlaagde zelfstandigenaftrek.

Een ander voorstel komt van professor P. Kavelaars, hoogleraar fiscale economie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam. Hij stelt voor om de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling af te schaffen en de arbeidskorting te splitsen in een werknemerskorting en een zelfstandigenkorting. Dat vindt de RMU een goed alternatief.

Als andere mogelijke oplossing om het sociale zekerheidsstelsel te herzien, met als doelstelling om de uitholling hiervan tegen te gaan, stelt de RMU reeds geruime tijd de invoering van een inkomensverzekering voor, een vorm van een volksverzekering, voor een ieder die arbeid verricht, ongeacht of iemand in loondienst is of als zzp’er werkzaamheden verricht. De Commissie Borstlap benoemt dit ook als zodanig. Ter voorkoming dat er een nieuwe loot aan de collectiviteitsstam wordt toegevoegd zou hierbij gedacht kunnen worden aan de introductie van een spaarsysteem middels individuele geblokkeerde spaarrekeningen voor kortdurende arbeidsongeschiktheid of werkloosheid, en een premiesysteem voor langdurige arbeidsongeschiktheid of werkloosheid. Een proef met een verplichte zzp-verzekering, zoals begin 2018 voorgesteld door de heer Camps, kan op bijval van de RMU rekenen. Het idee achter deze zzp-verzekering is dat een zzp’er verplicht verzekerd is, tenzij hij aangeeft dat niet te willen. Aan de hand van deze proef zou mogelijk duidelijk worden rond welke inkomensgrens zzp’ers afzien van een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

De RMU is van mening dat bij de herziening van het fiscale- en het sociale zekerheidsstelsel het totaalpakket aan maatregelen gericht moet zijn op het bestrijden van schijnzelfstandigheid, het aantrekkelijker maken van werkgeverschap, het verlagen van de lasten op arbeid en het bieden van een toegankelijke bescherming voor zzp’ers met als hoofddoel dat er een gelijk speelveld gecreëerd wordt. Met de Commissie Borstlap is de RMU van mening dat, ook wanneer de wetgever met nieuwe effectieve regels komt, we niet kunnen zonder goed werkgeverschap en opdrachtgeverschap en goed werknemerschap en opdrachtnemerschap. Op de werkvloer moet het nieuwe sociale en economische evenwicht tot stand komen

Volgens de RMU gaat een volledige verplichtstelling voor zzp’ers wat betreft het opbouwen van pensioen te ver, temeer omdat voor werknemers ook geen algemene wettelijke pensioenplicht geldt. Een tussenoplossing zou kunnen zijn dat deelname aan bijvoorbeeld ZZP Pensioen leidt tot een verplichte minimale opbouw, met keuzevrijheid voor eventueel een hogere inleg. Hiermee zal de inkomensdaling na het bereiken van het pensioen minder groot zijn. Met dit idee worden zzp’ers meer tegen zichzelf beschermd zonder dat er een volledige wettelijke pensioenplicht wordt opgelegd. Zzp’ers dienen bewust te kiezen of ze wel of niet een overlijdensrisicoverzekering afsluiten, om te voorkomen dat de partner (en eventuele kinderen) achterblijven met financiële zorgen. Ondernemerschap is een keuze voor eigen verantwoordelijkheid, ook voor wat betreft het wel of niet verzekeren van risico’s. Als het gaat om de groep die zich niet verzekert, gaat het in veel gevallen om een bewuste keuze. Bijvoorbeeld wegens gewetensbezwaren, voldoende eigen vermogen of een partner met inkomen.


Bronnen:

  • Rapport ‘Zelfstandigen zonder pensioen’ van Zwinkels e.a
  • CPB: Juniraming 2019: economische vooruitzichten 2019 en 2020
  • UWV Arbeidsmarktprognose 2019-2020
  • Ontwikkelingen rond flexibele arbeidsvormen deel 2: De stand van zaken rond zzp’ers (VISMA)
  • Discussienotitie Commissie Regulering van werk
  • Verschillen werknemers – zzp’ers verkleinen. NDFR, Platform voor fiscaal experts. Zelfstandigen Enquête Arbeid van TNO en het CBS
Delen