Economie en arbeidsmarkt

Dit hoofdstuk is onderdeel van de Nota Arbeidsvoorwaardenbeleid 2019.

De Nederlandse economie floreert en doet het beter dan het Europese gemiddelde. In 2017 en 2018 zette de economische groei door vanwege de toename van de werkgelegenheid, de hogere bestedingen en een aantrekkende huizenmarkt. Naar verwachting zal de groei licht afzwakken in het jaar 2019. De stijging van de werkgelegenheid in werkzame personen in 2017, heeft zich in 2018 eveneens voortgezet. De ontwikkelingen op de arbeidsmarkt zijn wat dat betreft positief - met verdere verbeteringen in het verschiet – wat tegelijkertijd krapte met zich meebrengt in sommige bedrijfstakken. Met de toename van de werkgelegenheid daalt tegelijkertijd de werkloosheid van 4,9 procent van de beroepsbevolking in 2017 tot 3,9 procent in 2018 en 3,5 procent in 2019; het laagste percentage in tien jaar. Hoewel mensen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie nog steeds moeilijk of niet aan de slag komen, daalde de langdurige werkloosheid sinds begin 2015 van 289.000 naar 128.000 personen in het tweede kwartaal van 2018. Het is niet vanzelfsprekend dat de werkloosheid zal blijven afnemen. De groei van banen kan stagneren als de groei van de economie toch tegen zou vallen, als gevolg van de invloed van bepaalde risicofactoren zoals een economische crisis in Italië, een handelsoorlog tussen de Verenigde staten en de Europese Unie of door de Brexit.

Achtergronden

Economische groei en risicofactoren

In de Macro Economische Verkenning 2019 (september 2018) meldt het Centraal Planbureau (CPB) dat de mondiale economie momenteel de wind in de zeilen heeft. Het wereldhandelsvolume van goederen en diensten was in 2017 met 5,1 % opvallend hoog en blijft in 2019 met 4% naar verwachting op hetzelfde niveau als 2018. Hiermee lijkt de trend een wat rustigere stabiele groei te zijn. Als gevolg van de groeicijfers helen daarmee de wonden, die zijn opgelopen als gevolg van het uitbreken van de financiële crisis, al is het dat er littekens zichtbaar blijven. De werkloosheid in de hoogontwikkelde economieën is inmiddels weer terug op het niveau van voor de crisis, de overheidstekorten nemen af en er staan minder slechte leningen op de balansen van de financiële instellingen.

Hoewel de wereldeconomie stevig groeit, betekent dit niet dat er geen risicofactoren aanwezig zijn, die kunnen zorgen voor een drukkend effect op de economische groei. Eén van de risicofactoren is de beperkte beleidsruimte van de Europese Centrale Bank om terugval van de economische groei in de eurozone op te vangen. Een andere risicofactor voor neerwaartse groei is de oplopende politieke en economische spanning in Italië, alsmede de situatie van de Italiaanse banken. Deze blijven in de gevarenzone door noodlijdende kredieten en zwakke winstgevendheid. Als derde risicofactor binnen Europa voor de neerwaartse groei kan de Brexit worden genoemd. Een risicofactor buiten Europa is de onzekerheid rond het te voeren monetaire, begrotings- en handelsbeleid van de Verenigde Staten van Amerika, waarbij vooral het opzeggen van bepaalde handelsakkoorden en de plannen van president Trump rond importheffingen en uitvoersubsidies de Nederlandse economie schade kunnen berokkenen. Tenslotte kunnen de geopolitieke spanningen als neerwaarts risico worden aangedragen, in het bijzonder als het gaat om de spanningen met Noord-Korea.

Halfjaarlijks World Economic Outlook

Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) stelde in juli 2018 dat de wereldwijde groei van de economie in 2018 en 2019 3,9 procent zal bedragen, maar dat deze minder gelijk zal zijn, en de risico’s die tot een lagere groei leiden toenemen. De groei lijkt in sommige grote economieën een hoogtepunt bereikt te hebben en er zijn tussen de verschillende economieën aanzienlijke verschillen in groei. Voor het eurogebied, Japan en het Verenigd Koninkrijk zijn groeiprognoses naar beneden bijgesteld, als gevolg van negatieve verrassingen voor activiteiten van begin 2018. Bij opkomende markten en economieën zien de groeivooruitzichten er ongelijker uit door de stijgende olieprijzen, hogere rendementen in de Verenigde Staten, escalerende handelsspanningen, en marktdruk op de valuta's van sommige economieën met een zwakkere basis. Groeiprognoses zijn herzien voor Argentinië, Brazilië en India, terwijl de vooruitzichten voor sommige olie-exporteurs zijn verbeterd.
Het IMF adviseert om protectionistische maatregelen te vermijden en om een coöperatieve oplossing te vinden die de voortdurende groei in goederen- en dienstenhandel bevordert en zij ziet dit als essentieel om de wereldwijde expansie te behouden. Beleid en hervormingen moeten gericht zijn op het ondersteunen van duurzame activiteiten en het verhogen van de groei op de middellange termijn. Maar om de risico's op ontsporing en neergang te verkleinen moeten veel landen hun fiscale buffers herbouwen om beleidsruimte te creëren voor een eventuele volgende recessie en om de financiële veerkracht te versterken voor een omgeving met mogelijk hogere kwetsbaarheid van de markt.

Regeerakkoord Rutte III

Het IMF maakte zich in 2017 nog zorgen over de lage loongroei, de inkomensongelijkheid en de lage inflatie, maar het derde kabinet-Rutte heeft daarvoor een oplossing gevonden, meent het CPB in haar notitie ‘Analyse economische en budgettaire effecten van de financiële bijlage van het regeerakkoord (4 oktober 2017): de contractlonen stijgen de komende vier jaar niet met 2,3 procent, maar met 3,1 procent. De inkomensongelijkheid neemt niet met 2,7 procent toe, maar daalt met 0,1 procent. De inflatie is de eerstvolgende vier jaar niet 1,6 procent, maar 2,2 procent.

De plannen van Rutte III zorgen ervoor dat de investeringen hoger uit vallen en dat de consumptie en overheidsbestedingen toenemen. Dit lijkt te werken want ten opzichte van het Europese gemiddelde groeit de Nederlandse economie harder en blijft de werkloosheid in Nederland ruim 4 procentpunt onder het Europese gemiddelde.

Onderwijs

De daling van de onderwijskwaliteit zou wel een punt van zorg zijn. Nederland scoort weliswaar beter op het gebied van innovatie, maar is een plaats gezakt op het vlak van hoger onderwijs. Henk Volberda, hoogleraar aan de Erasmus University stelde in dit verband: ‘Gezien de uitdagingen van de vierde industriële revolutie en de snelle uitholling van bepaalde kennis, vaardigheden en functies door robotisering en kunstmatige intelligentie zijn meer investeringen in het Nederlands hoger onderwijs noodzakelijk.

Overheidsfinanciën

Het begrotingstekort van Nederland ligt sinds 2013 onder de Europese grens van -3 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Het overheidstekort was tijdens de crisisjaren opgelopen tot boven de 5 procent maar is vanaf 2016 omgeslagen in een begrotingsoverschot. Het begrotingssaldo blijft positief, waarbij het overschot zelfs iets oploopt, van 1,2 procent van het bbp in 2017 naar 0,9 procent van het bbp in 2018 en 1,0 procent van bbp in 2019. Dit zijn grotere overschotten dan in de periode 2006-2008, de laatste driejaarsperiode met overschotten, en bovendien groter dan elders in het eurogebied.

Hoewel de economie bloeit, het vertrouwen van mensen in de toekomst verder toeneemt en de overheidsfinanciën stabieler zijn, is voortdurende waakzaamheid geboden voor na-ijleffecten van de achterliggende crisisjaren als ook voor de genoemde onzekerheden in de wereld.

Arbeidsmarkt

Toenemende werkgelegenheid en afname werkloosheid

Als gevolg van de aanhoudende werkgelegenheidsgroei, daalt de werkloosheid in 2019 tot 3,5 procent van de beroepsbevolking. De ruimte die op de arbeidsmarkt was ontstaan als gevolg van de crisis, is nagenoeg geheel verdwenen. Sterker nog, de arbeidsmarkt wordt steeds krapper, en in sommige bedrijfstakken ontstaan knelpunten. De grootste knelpunten doen zich voor in de zorg, de bouw, het onderwijs, de technische beroepen, vervoer en opslag en bij informatie en communicatie. Van de bedrijven in deze sectoren heeft 30-40 procent met personeelstekort te kampen volgens een publicatie van het CBS.
In een interview in het Financieele Dagblad van 14 februari 2017 betoogt de heer Jacques van den Broek, topman van Randstad: ‘Als land moet je ervoor zorgen dat er mensen zijn voor de banen. Dat is nu niet het geval. Door economische groei, vergrijzing en kloof tussen arbeidsmarkt en opleidingen neemt de krapte op de arbeidsmarkt snel toe.’ In een tijd dat anti-Europese geluiden aanzwellen en populistische partijen pleiten voor grenssluitingen, zouden alleen immigranten de krapte op de arbeidsmarkt kunnen oplossen, zo is het verdere betoog van Van den Broek.

In zijn column van 25 september 2017 in NRC schrijft Joshua Livestro, filosoof en politicoloog, dat het zijns inziens onvermijdelijk lijkt dat er op enig moment in de toekomst weer sprake zal zijn van immigratie van zogenoemde ‘gastarbeiders’. Als voorbeeld hierbij beschrijft Livestro de situatie in Japan. De vergrijzing in Japan zorgde er voor een groot tekort aan (vooral lager opgeleide) werknemers. ‘Het gevolg was dat de Japanse regering overstag ging: de afgelopen tien jaar is de arbeidsmigratiestroom verdubbeld. Er wordt zelfs gesproken over introductie van speciale ‘gastarbeiderprogramma’s’ om tekorten aan werknemers te ondervangen. Inderdaad, dezelfde term die wij ook kennen uit de jaren zestig. Ook toen hadden we te maken met vrijwel volledige werkgelegenheid. Ook toen sneuvelde de loonmatiging. En ook toen kwam de arbeidsmigratie op gang. Zo gaat dat soms in de politiek: het ene moment is iets nog onbespreekbaar, het volgende moment was iedereen altijd al voor.’

Hoewel de werkloosheid sinds 2014 daalt, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek in haar maandelijkse melding van september 2018 dat de daling van de werkloosheid tot stilstand komt en de uit- en instroom al 6 maanden achter elkaar vrijwel even groot zijn. Het is dus nog maar de vraag of de verwachting uit de miljoenennota 2019 dat de werkloosheid nog verder zal dalen, uit zal komen.

Mensen met een bijstandsuitkering en gedeeltelijk arbeidsongeschikten vinden echter vaak moeilijk werk. Met de ingevoerde Participatiewet wordt gepoogd deze groep mensen te helpen weer mee te doen in de samenleving. De Participatiewet voegt de voormalige Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening en een deel van de Wajong samen tot één regeling voor deze doelgroep. De Wajong is er alleen voor mensen die niet volledig en duurzaam kunnen werken. Mensen die geen recht hebben op een Wajonguitkering, kunnen naar het nieuwe Werkbedrijf.

Werkgevers zijn bereid, zoals afgesproken in het sociaal akkoord van 11 april 2013, in de periode 2015-2025 in totaal 100.000 mensen met een arbeidsbeperking aan een baan helpen. Ook is afgesproken dat de overheid in deze periode 25.000 mensen extra aan het werk helpt. De Wajong voorziet uitsluitend nog in een voorziening voor jonggehandicapten die nooit zullen kunnen werken. Voor mensen die helemaal niet meer kunnen werken, blijft er een sociaal vangnet in de vorm van een bijstandsuitkering.

Aantal vaste banen

Uit de hieronder weergegeven figuur is af te leiden dat in 2016 het aantal vaste banen in Nederland, voor het eerst sinds het uitbreken van de financiële crisis, in absolute zin weer toenam. Tijdens de financiële crisis deed zich vooral het verschijnsel voor dat het aantal vaste banen daalde. Het heeft nog tot 2018 geduurd voordat de stijging van het aantal werknemers met een flexibel arbeidscontract is afgevlakt.
 
De Nederlandsche Bank merkt in DNBulletin ‘De flexibilisering van de arbeidsmarkt onder de loep’ van 11 mei 2017 op dat de groei van het aantal werknemers met een vast contract past binnen het huidige conjunctuurbeeld. In tijden van economische groei neemt de werkgelegenheid toe en is er meer vertrouwen. Werkgevers zijn dan eerder geneigd vaste contracten aan te bieden, zeker als de arbeidsmarkt krapper wordt. Dit verschijnsel deed zich ook voor in de periode van hoogconjunctuur (2005-2008).

Een verklaring voor de toch nog per saldo toenemende flexibilisering van de arbeidsrelaties zouden veranderende economische omstandigheden kunnen zijn. Technologische ontwikkelingen, globalisering en toegenomen concurrentie vragen meer wendbaarheid van werkgevers en opdrachtgevers. De Nederlandse arbeidsmarkt wijkt op dit punt echter af van de ontwikkelingen in de ons omringende landen. Zo kent bijvoorbeeld Noorwegen het verschijnsel van flexkrachten totaal niet. Iedereen in dat land heeft een vast contract.

In het ESB-nummer van 11 augustus 2016 merkt Paul de Beer, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en mededirecteur van het Amsterdams Instituut voor Arbeidsstudies, op dat de sterke groei van het aantal flexibele dienstverbanden een van de opvallendste en meest besproken ontwikkelingen op de arbeidsmarkt van de afgelopen twintig jaar is. Ondanks de vele geluiden van het tegendeel, is de baan voor het leven desondanks nog allerminst verdwenen, aldus De Beer. Van de oudere mannelijke werknemers werkt nu nog een groter percentage sinds zijn dertigste in dezelfde werkkring dan in 1998. Bij twee vijfde van de werkende oudere mannen is er sprake van een baan voor het leven. Bij vrouwen gaat het echter wel om een beduidend kleiner aandeel. Omdat van de wat jongere leeftijdsgroepen een wat kleiner deel al op jonge leeftijd in de huidige baan is begonnen, zal de baan voor het leven de komende tien jaar naar verwachting wel wat in belang afnemen, zo verwacht De Beer.

Knelpunten op de arbeidsmarkt

De arbeidsmarkt knelt voor werkgevers én werknemers. Veel verantwoordelijkheden voor de arbeidsrelaties zijn te eenzijdig bij werkgevers belegd, meent Rutte III in ‘Vertrouwen in de toekomst’. ‘Wie fatsoenlijk omgaat met zijn werknemers ondervindt concurrentienadeel van bedrijven die handige constructies bedenken om lonen te drukken en risico’s af te wentelen. Vaste werknemers, flexwerkers en zzp’ers zijn onbedoeld concurrenten van elkaar geworden. Perspectief op een vaste baan is vaak ver weg. Dat geldt voor jongeren, voor ouderen en ook voor mensen met een arbeidshandicap. Te veel mensen komen er gewoon niet tussen. Het is tijd om onze arbeidsmarkt te moderniseren. De sleutel naar een eerlijker arbeidsmarkt ligt in de gelijktijdige beweging: Vast werk minder vast maken en flexwerken minder flex.
Het is de ambitie van Rutte III dat meer mensen aan het werk kunnen gaan in contracten voor onbepaalde tijd. Zelfstandigen moeten de ruimte krijgen om te ondernemen, maar schijnzelfstandigheid wordt aangepakt’.

Werkenden delen nog onvoldoende mee in het economisch herstel. De lasten op arbeid worden daarom fors verlaagd, waardoor (meer) werken lonend (er) wordt. Maar koopkracht kan niet alleen afhankelijk zijn van lagere lasten. Er is gemiddeld genomen ruimte bij bedrijven om de lonen te laten stijgen, stelt het regeerakkoord van Rutte III onomwonden.

Visie RMU

  • Daadkrachtige aanpak van arbeidsmarktproblematiek, modernisering pensioenstelsel en fundamenteler herziening belastingstelsel nodig.
  • Waakzaamheid is geboden want economie is niet alles en alles is geen economie.
  • RMU bepleit een andere kijk op economische groei, omdat deze zowel vooruitgang als achteruitgang brengt.
  • Eenzijdig streven naar groei staat haaks op Bijbelse opdracht.

Daadkrachtige aanpak van arbeidsmarkt, pensioen- en belastingstelsel nodig

In de vorige kabinetsperioden is het niet tot een doortastende aanpak van arbeidsmarktproblemen, het belastingstelsel, de zorg en pensioenen gekomen. De RMU vindt het positief dat het kabinet Rutte III nu een eerste stap zet als het gaat om hervorming van de arbeidsmarkt, maar de arbeidswet – die dateert uit de vorige eeuw – zal fundamenteel aangepakt moeten worden om de kloof tussen vast en flex te verkleinen. Het kabinet zal eindelijk ook werk moeten maken van het daadkrachtig en voortvarend moderniseren van het pensioenstelsel en een fundamenteler herziening van het belastingstelsel. Wanneer het alleen bij goede voornemens blijft én afwachten wat de sociale partners voorstellen, zullen resultaten uitblijven, meent de RMU. Daadkracht is nodig, nu en in de toekomst. Voor een uitgebreidere visie van de RMU op de positie van zelfstandigen zonder personeel, zie (link naar het hoofdstuk) en flexibilisering van de arbeidsrelaties, zie (link naar het hoofdstuk). Voor een uitgebreidere visie voor het moderniseren van het pensioenstelsel, zie (link naar het hoofdstuk) en de fundamentele herziening van het belastingstelsel, zie (link naar het hoofdstuk).

Werken aan oplossingen voor knelpunten op de arbeidsmarkt

Het door het kabinet Rutte III geopperde voorstel om ondernemers met maximaal 25 werknemers in dienst hun zieke personeel in de nabije toekomst niet meer verplicht het tweede jaar door te laten betalen bij ziekte, zorgt volgens de RMU voor ontwijkingsgedrag van ondernemers, wegens de arbitraire grens van 25 werknemers. Vanwege de toepassing van deze regeling zou het in voorkomende situaties immers niet ondenkbaar zijn dat in de uitvoeringspraktijk juridische structuren zullen gaan voorkomen waarbij per inhoudingsplichtige maximaal 25 werknemers op de loonlijst staan. Om dit te voorkomen pleit de RMU dat de werkgever maximaal zes maanden het loon van een zieke werknemer doorbetaalt en dat wanneer de werknemer langer ziek blijft, deze werknemer aanvullend maximaal achttien maanden wordt betaald uit een publiek gefinancierde basisverzekering. Zie hiertoe ook hoofdstuk 2.2 van de nota.

Dat het zogenoemde polderoverleg tussen de sociale partners (werkgevers en werknemers) over de arbeidsmarkt en het pensioenstelsel nog nooit wat heeft opgeleverd, vindt de RMU teleurstellend. De onderwerpen die op tafel liggen, gaan over belangrijke thema’s, zoals de doorgeschoten flexibilisering van de arbeidsmarkt. De deelvragen die hierbij om een oplossing vragen, zijn de vragen hoe gekomen kan worden tot het meer vastigheid bieden aan flexwerkers, terwijl het tegelijkertijd voor werkgevers aantrekkelijker moet worden om mensen in vaste dienst te nemen. Hetzelfde geldt voor de herziening van het pensioenstelsel. Ook dienaangaande is het de wens van de RMU dat het gesprek tussen vakbonden en werkgevers over de toekomst van de arbeidsmarkt en de pensioenen tot een gedragen plan komt. Een fundamentele hervorming van het pensioenstelsel is volgens de RMU noodzakelijk, waarbij de lasten eerlijk verdeeld worden over alle generaties en waarbij keuzevrijheid en maatwerk centraal staan.

Het is positief dat het kabinet de werknemerslasten op arbeid verlaagt en dat werk (meer) lonend wordt. Het is echter van belang dat niet alleen de overheid zorgt voor meer bestedingsruimte van de werknemer, maar dat ook de werkgever – waar daar ruimte voor is – de lonen laat stijgen, zie hoofdstuk (link naar hoofdstuk Loonwens en Inkomensontwikkeling).

De RMU vraagt bijzondere aandacht voor het aan het werk helpen van kwetsbare groepen zoals mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt (arbeidsgehandicapten en ouderen). Dit vraagt niet zozeer om nog meer subsidies en fiscale prikkels; dit voegt weinig toe. De administratieve druk die aan subsidies kleeft, schrikt werkgevers af. Deze groepen aan het werk helpen vraagt vooral om een mentaliteitsverandering. Arjan Heyma, hoofd Arbeid en Onderwijs bij SEO Economische Onderzoek, stelde op 10 oktober 2016 in het Financieel Dagblad (FD) terecht dat het vooral belangrijk is om de markt niet te veel te verstoren: ‘Je kan de mensen die nu buiten de boot vallen ondersteunen op de arbeidsmarkt, maar je moet de markt z’n gang laten gaan. Dat kan bijvoorbeeld door de kwaliteit van het aanbod te verbeteren. De banen van niet- of laagopgeleide werknemers verdwijnen snel door automatisering. Door omscholing kunnen andere mogelijkheden voor deze groep worden gecreëerd.’ Zo stelt De Beer in hetzelfde interview in het FD: ‘Bovendien kunnen ook nieuwe banen worden gecreëerd die economisch gezien niet levensvatbaar zijn, maar maatschappelijk wel van belang kunnen zijn. Denk aan bijvoorbeeld conciërges op scholen, plantsoenmedewerkers in de gemeentelijke plantsoenendienst of ondersteunende functies in de zorg, of mensen helpen die hun administratie niet op orde hebben en in de schuldsanering zitten’. Het paradoxale is nu dat mensen met drukke banen bijvoorbeeld (mantel)zorgtaken verrichten en schuldhulpmaatje zijn terwijl tegelijkertijd velen langs de kant staan en geen zinvolle dagbesteding en/of perspectief hebben. Wat de RMU betreft zou hier meer aandacht aan besteed moeten kunnen worden.

Waakzaamheid geboden

In de Macro Economische Verkenning 2019 merkt het CPB op dat de raming voor de economische ontwikkeling, zowel op de korte termijn als op de middellange termijn, met onzekerheden is omgeven. Aan de ene kant vormen de internationale politieke en economische onzekerheden en ontwikkelingen in de financiële sectoren negatieve risico’s voor de Nederlandse economie. Aan de andere kant kan de economie zich nog krachtiger ontwikkelen als de groei doorzet, niet alleen in Nederland maar ook internationaal.

De Raad van State komt in haar Advies bij de Miljoenennota 2019 tot vergelijkbare bewoordingen, maar voegt er een dimensie aan toe, en wel een zodanige waarin de RMU zich van herkend, namelijk dat economie niet alles is, en alles niet economie is.

Economie en arbeidsmarkt in Bijbels perspectief

De RMU vindt deze constateringen voor zowel de economie als ook de daaraan verbonden gevolgen voor de arbeidsmarkt belangrijk, maar in deze beschouwing willen we de spade nog wat dieper steken. De RMU plaatst het thema economie en arbeidsmarkt in Bijbels perspectief.

Overvloed en onbehagen zijn kenmerkend voor de Nederlandse economie. We horen nog steeds tot de rijkste landen ter wereld, maar sinds de jaren zestig zijn we er per saldo niet gelukkiger op geworden. De neoklassieke economische theorie gaat ervan uit dat de middelen die mensen tot hun beschikking hebben, altijd onvoldoende zullen zijn om al hun wensen te bevredigen. Mensen zijn onverzadigbaar. In de economische literatuur staat dit bekend als de ‘happiness paradox’ van de Amerikaanse econoom Robert Easterlin. Ook wordt wel gesproken over een ‘hedonistische tredmolen’. We hebben steeds meer economische groei en consumptiegoederen nodig om hetzelfde geluksgevoel te krijgen. ‘Denk ervan wat je wilt,’ schreef columnist Hofland in het NRC Handelsblad, ‘maar de cultuur van consumptie heeft een eroderende werking op het geloof.’

Economische groei is niet alleen een bron van welvaart en vooruitgang, maar kan ook een bron van morele en maatschappelijke achteruitgang zijn. Economische groei brengt ook ongelijkheid en tast de geopolitieke verhoudingen aan. De economische crisis toont dat in haar oorzaken en gevolgen. Zelfs binnen Nederland, dat wereldwijd bij de top hoort van landen die gelijkheid tussen mensen nastreven, leven nog altijd naar schatting ruim 700 duizend huishoudens van een inkomen rond het bestaansminimum. En wat te denken van de gevolgen voor het milieu? Al Gore trok de wereld rond met ‘an unconvenient truth’ om de milieugevolgen van ons expansief economisch handelen aan de orde te stellen. Economische groei brengt vooruitgang maar tast ook het draagvermogen van de schepping aan. Het is goed om daarbij de financiële wereld indringend in de ogen te kijken en de samenleving voortdurend bewust te blijven maken dat iedereen verantwoordelijkheid voor een gezond en leefbaar milieu draagt, temeer daar een klimaatcrisis zich lijkt aan te dienen.

Maar er is een diepere oorzaak. De cultuur van consumentisme en hedonisme heeft de moderne mens op een punt gebracht dat hij zijn ongeduld niet meer kan bedwingen. De kreet ‘I want it all, I want it now’ verwoordt het moderne levensgevoel tot in haar diepste kern. De, naar het schijnt voorbije, economische crisis was er het gevolg van dat wij met elkaar alle toekomstige economische groei met een hypotheek op de toekomst naar het heden hebben willen halen. En die hypotheek breekt ons nu op. De toekomst neemt als het ware een revanche op het heden. Economische groei brengt vooruitgang en achteruitgang. De economie vormt zowel de basis als een bedreiging voor de moderne welvaartstaat. Dat komt omdat de economie is losgeweekt van haar eigen normatieve uitgangspunten. Uitgangspunten die ook terug te vinden zijn in het Bijbelse spreken over de economie, van waaruit we kunnen ontlenen dat men niet voorbij moet leven aan het goede van de schepping door een voortdurende jacht naar meer. Tegenover het moderne individualisme laat de Bijbel zien dat God ieder mens geschapen heeft in relaties. Overmatige rijkdom heeft als gevaar dat het verleidt tot een levenswijze die voorbijgaat aan het geluk van het leven in afhankelijkheid van God en in gemeenschap met de medemens, welke afhankelijkheid en gemeenschap de belangrijkste verbindingen zijn waarin een mens staat. ‘God liefhebben boven alles en de naaste als jezelf’ betekent dat je eerbied hebt voor Hem, respect toont voor je naasten en zorg draagt voor de schepping. Deze verantwoordelijkheden moeten ons handelen bepalen en niet het streven naar een zo groot mogelijke economisch groei.

Bronnen:

Auteurs:

  • Arjan Pul

  • Johan Ebbers

Delen