• vakorganisatie met Bijbelse visie
  • brede dienstverlening
  • veel voordeel voor leden
Euthanasie

Definitie

In Nederland is het gangbaar om euthanasie te omschrijven als ‘handelen dat het leven van een ander op diens uitdrukkelijk verzoek beëindigt’ (KNMG, 2003). Deze omschrijving wordt ook in het Wetboek van Strafrecht (artikel 293) gebruikt.

Van belang in deze omschrijving is:

  • dat het gaat om handelen dat het leven beëindigt. Het leven had zonder dit handelen - al dan niet met behulp van medisch-technische mogelijkheden - in stand kunnen blijven;
  • dat het gaat om handelen door een ander dan de betrokkene. Zo niet, dan moet van zelfdoding worden gesproken;
  • dat het gaat om handelen op uitdrukkelijk verzoek van de patiënt. Indien dat verzoek niet aanwezig is, dan gaat het om ongevraagde levensbeëindiging.

Hoewel deze definitie medisch en juridisch is aanvaard, is onder invloed van de publieke opinie, politiek en belangenorganisaties er wel beweging in het standpunt van het ‘uitdrukkelijke verzoek’. Met name wanneer een patiënt psychisch of mentaal minder of in het geheel niet (meer) wilsbekwaam geacht kan worden, zou strikt genomen aan deze voorwaarde niet voldaan kunnen worden. In de praktijk blijkt steeds vaker in medische en juridische zin een ruimere uitleg gehanteerd te worden.

Bij hulp bij zelfdoding betreft het ‘door een ander verschaffen van middelen voor de zelfdoding’ (KNMG, 2003). Daarbij is sprake van handelen:        

  • dat het leven opzettelijk beëindigt,
  • door de patiënt zelf (met hulp van derden),
  • op uitdrukkelijk verzoek van de patiënt.

Het onderscheid tussen euthanasie en hulp bij zelfdoding betreft een verschil in uitvoering. Bij euthanasie worden de middelen toegediend door iemand anders dan de patiënt. Bij hulp bij zelfdoding neemt de patiënt de middelen zelf in. Deze middelen kunnen door een arts voorgeschreven zijn, maar ook door de patiënt (of iemand die door hem daarvoor wordt ingeschakeld) verkregen zijn op al dan niet legale wijze.

Zie ook https://www.rmu.nu/gewetensbezwaar/hulpbijzelfdoding

Andere medische beslissingen rond het levenseinde

Er is een aantal medische beslissingen rondom het levenseinde te onderscheiden waarbij de dood sneller kan intreden, maar die niet onder de noemer van euthanasie of hulp bij zelfdoding vallen.

Levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek

Deze vorm van levensbeëindigend handelen onderscheidt zich van euthanasie en hulp bij zelfdoding op het punt van het verzoek van de patiënt. Het gaat om handelingen met het uitdrukkelijke doel het leven te beëindigen. Daartoe wordt een middel toegediend zonder dat daaraan een uitdrukkelijk verzoek van de patiënt ten grondslag ligt (Van der Wal & Van der Maas, 1996). Een voorbeeld hiervan is het KNMG-standpunt ‘Medische beslissingen rond het levenseinde bij pasgeborenen met zeer ernstige afwijkingen een nadere uitwerking wat aanvankelijk het ‘Groninger protocol’ werd genoemd.

Een ander vorm van levensbeëindiging, al wordt dat door vele professionals als zodanig niet gezien, is het geforceerd beëindigen van de hartactie d.m.v. een kaliuminjectie.

Met name na een donorprocedure waarbij één of meer organen (niet het hart) zijn uitgenomen bij de ‘hersendood’ verklaarde patiënt, blijft het hart vanwege het autonome prikkelcentrum van het hart (dus onafhankelijk van de hersenfunctie) doorkloppen. Omdat echter na de orgaanuitname het lichaam dood wordt verklaard (de hersenen waren al dood verklaard), en dit toch moeilijk te rijmen valt met een nog kloppend hart, wordt op deze manier ook dat laatste levensteken beëindigd.

Pijn- en andere symptoombestrijding

Het adequaat bestrijden van lijden maakt deel uit van normaal medisch handelen. Als onbedoeld neveneffect kan verkorting van het leven optreden. Dit onbedoelde neveneffect wordt acceptabel geacht wanneer dit onlosmakelijk verbonden is met pijnbestrijding die voor de patiënt noodzakelijk is. Indien bewust een hogere dosering pijnbestrijding wordt toegediend dan uit het oogpunt van adequate pijnbestrijding nodig is, is sprake van het bedoelde effect het levenseinde te bespoedigen. Zorgverleners dienen hier scherp op te letten (geen dosisverhoging zonder dat de symptomen van de patiënt daar aanleiding toe geven; geen opklimmende doseringen op voorhand, altijd alleen op geleide van pijn).

Zie ook https://www.rmu.nu/gewetensbezwaar/terminalepijnbestrijding

Het staken of nalaten van een medisch zinloos geachte behandeling

Hier worden situaties bedoeld waarbij geen redelijke verhouding meer bestaat tussen het met het handelen te bereiken doel en de daarvoor in te zetten middelen (KNMG, 2003). Volgens de KNMG (2003) wordt de basis voor een zorgvuldige beslissing gevormd door zowel professionele criteria als de situatie/mening van de individuele patiënt (of diens wettelijke vertegenwoordiger/familie).

Zie ook https://www.rmu.nu/gewetensbezwaar/stakenofnietinstellenbehandeling en https://www.rmu.nu/gewetensbezwaar/moetalleswatkan

Het bewust weigeren van een kansrijk geachte behandeling

Wanneer een patiënt moedwillig zijn levenseinde wil bespoedigen, maar bijvoorbeeld niet valt onder de criteria voor euthanasie, kan het afzien van een ‘levensreddende- of levensverlengende’ behandeling ook het intreden van de stervensfase bespoedigen.

Het bewust weigeren van voedsel en drinken

Wanneer een patiënt moedwillig zijn levenseinde wil bespoedigen, maar bijvoorbeeld niet valt onder de criteria voor euthanasie, zal het bewust weigeren van voedsel en vocht binnen enkele weken leiden tot het intreden van de dood.

Zie ook https://www.rmu.nu/gewetensbezwaar/bewustafzienvanvoedselendrinken

Niet kunstmatig toedienen van vocht en voeding

Het gaat hierbij om situaties waarin een patiënt niet of nauwelijks vocht en/of voedsel tot zich neemt en de beslissing wordt genomen niet te beginnen of te stoppen met het kunstmatig toedienen van vocht en/of voeding (Pasman et al., 2003). Dit wordt ook wel versterven genoemd.

Palliatieve sedatie in de terminale fase

Bij palliatieve sedatie (ook bekend als terminale sedatie) gaat het om situaties waarin medicatie wordt toegediend om de patiënt in een diepe sedatie of coma te houden tot de dood intreedt, waarbij wordt afgezien van kunstmatige toediening van vocht en voeding (Van der Wal & Van der Heide et al. 2003). Het gaat hierbij om terminale patiënten bij wie de symptomen (zoals pijn, angst en benauwdheid) niet afdoende bestreden kunnen worden met de gebruikelijke medicatie. De diepe sedatie of coma dient dan als symptoombestrijding.

Er moet op het moment van het starten van de palliatieve sedatie door een arts zijn vastgesteld dat de patiënt zich reeds in de stervensfase bevindt.

Zie ook https://www.rmu.nu/gewetensbezwaar/palliatievesedatie

Bekijk ook:

 

Klik hier voor artikelen in de Nationale beroepscode voor verpleegkundigen en verzorgenden in relatie tot gewetensbezwaren.

 

Steun het werk van de RMU, juist ook als u zich betrokken weet bij medische en ethische kwesties.Word nu lid en draag uw steentje bij.

 

Laatst gewijzigd: juli 2019

Delen