• vakorganisatie met Bijbelse visie
  • brede dienstverlening
  • veel voordeel voor leden
Juridische aspecten

De Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding werd op 12 april 2001 aangenomen, en ging op 1 april 2002 van kracht. Euthanasie en hulp bij zelfdoding bleven opgenomen in het wetboek van Strafrecht.

Artikel 293

Hij die opzettelijk het leven van een ander op diens uitdrukkelijk en ernstig verlangen beëindigt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Het in het eerste lid bedoelde feit is niet strafbaar, indien het is begaan door een arts die daarbij voldoet aan de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en hiervan mededeling doet aan de gemeentelijke lijkschouwer overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.

Artikel 294

Hij die opzettelijk een ander tot zelfdoding aanzet, wordt, indien de zelfdoding volgt, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
Hij die opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam is of hem de middelen daartoe verschaft, wordt, indien de zelfdoding volgt, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie. Artikel 293, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Uit deze artikelen blijkt dat de arts niet wordt gestraft als hij voldoet aan twee voorwaarden:

  • Hij moet voldoen aan de bij wet geregelde zorgvuldigheidseisen;
  • Hij moet zijn handelen melden aan de gemeentelijke lijkschouwer.

De zorgvuldigheidseisen

De zorgvuldigheidseisen houden in dat de arts:

  1. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt,
  2. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt,
  3. de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevindt en over diens vooruitzichten,
  4. met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevindt geen redelijke andere oplossing is,
  5. ten minste één andere, onafhankelijke arts raadpleegt, die de patiënt ziet en schriftelijk zijn oordeel geeft over de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in de eerste vier aandachtspunten,
  6. de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig uitvoert. Indien de patiënt van zestien jaren of ouder niet langer in staat is zijn wil te uiten, maar voordat hij in die staat geraakte tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat werd geacht, en een schriftelijke verklaring, inhoudende een verzoek om levensbeëindiging heeft afgelegd, dan kan de arts aan dit verzoek gevolg geven. De zorgvuldigheidseisen (…) zijn van overeenkomstige toepassing.
  7. Indien de minderjarige patiënt een leeftijd heeft tussen de zestien en achttien jaren en tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat kan worden geacht, kan de arts aan een verzoek van de patiënt om levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding gevolg geven, nadat de ouder of de ouders die het gezag over hem uitoefent of uitoefenen dan wel zijn voogd bij de besluitvorming zijn betrokken.
  8. Indien de minderjarige patiënt een leeftijd heeft tussen de twaalf en zestien jaren en tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat kan worden geacht, kan de arts, indien een ouder of de ouders die het gezag over hem uitoefent of uitoefenen dan wel zijn voogd zich met de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding kan of kunnen verenigen, aan het verzoek van de patiënt gevolg geven.

De zorgvuldigheidseisen zijn ook in het geval van lid 4 van overeenkomstige toepassing (via een verwijzing naar artikel lid 2 hierboven). Opvallend is dat dit voor het geval van lid 3 hierboven niet met zoveel woorden is bepaald.

Per saldo is bepalend of de arts heeft gehandeld “naar wetenschappelijk verantwoord medisch inzicht en naar in de medische ethiek geldende normen”.

De melding van euthanasie en hulp bij zelfdoding

De gang van zaken rond de uitvoering van euthanasie of hulp bij zelfdoding is als volgt:

De arts meldt een niet-natuurlijke doodsoorzaak aan de gemeentelijke lijkschouwer en overhandigt hem een beredeneerd verslag betreffende de toepassing van euthanasie of hulp bij zelfdoding.

De gemeentelijke lijkschouwer:

a. verwittigt de burgerlijke stand en de officier van justitie ter verkrijging van geen bezwaar tegen begraven of cremeren.
b. verricht de uitwendige lijkschouw en gaat na hoe en met welke middelen het leven is beëindigd.
c. schrijft een verslag over de situatie en zendt dat, samen met dat van de arts (en eventuele bijlagen, zoals de wilsverklaring van de patiënt) naar één van de vijf Regionale toetsingscommissies euthanasie (RTE). De secretariaten van deze commissies zijn gevestigd in Groningen, Arnhem en Den Haag.

De Regionale toetsingscommissie euthanasie (gevormd door een jurist die tevens voorzitter is, een medicus en een deskundige op het gebied van ethische of zingevingsvraagstukken):

a. beoordeelt of de arts heeft gehandeld conform de zorgvuldigheidseisen.
b. brengt binnen zes weken na ontvangst van het verslag het oordeel ter kennis van de arts. De termijn van zes weken kan eenmaal voor ten hoogste zes weken worden verlengd.

Als de commissie van oordeel is dat de arts zorgvuldig heeft gehandeld, is daarmee de zaak afgedaan. Als dit niet het geval is, meldt ze haar oordeel aan de arts maar daarnaast zowel aan het College van procureurs-generaal van het openbaar ministerie als aan de regionaal inspecteur voor de gezondheidszorg. Het openbaar ministerie beslist of sprake is van een strafbaar feit en of ze de zaak zal seponeren of tot strafvervolging zal overgaan. De inspecteur beoordeelt of de arts tuchtrechtelijk moet worden aangepakt.

Wilsverklaring

Een wilsverklaring is een document waarin de betrokkene vastlegt wat deze wil dat er met hem of haar gebeurt in het geval hij of zij daar zelf niet meer over beslissen kan.

Er is voor de patiënt geen wettelijke verplichting tot het opstellen van een wilsverklaring, maar het verdient wel de voorkeur. Een dergelijke verklaring kan de arts bij de melding aan de gemeentelijk lijkschouwer voegen.

Als de patiënt wilsonbekwaam is (geworden) dan kan volgens de wet de geldigheid van een schriftelijke wilsverklaring worden erkend, mits deze is opgesteld ten tijde dat de patiënt nog wel wilsbekwaam was. Als de patiënt een getekende wilsverklaring heeft, mag de arts deze verklaring beschouwen als de wil van de patiënt.

Een arts kan en mag van die wilsverklaring afwijken, bijvoorbeeld omdat deze er niet van overtuigd is dat de verklaring actueel is (de meest recente opvatting van de patiënt weergeeft) of meent dat de verklaring niet op de gegeven situatie ziet.

Een dergelijke verklaring (meestal een verzoek om levensbeëindiging inhoudend) mag alleen worden gehonoreerd als ook aan de overige zorgvuldigheidseisen kan worden voldaan. Echter in de praktijk kleeft daaraan een aantal problemen, die door de beroepsorganisatie voor artsen KNMG (2003) als volgt worden verwoord: ‘In een situatie van wilsonbekwaamheid kunnen vragen rijzen over wat de patiënt nu precies voor ogen had, of de patiënt wel een reëel beeld had van de nu ontstane situatie en de nog openstaande behandelingsmogelijkheden, of de patiënt vooraf de aard en intensiteit van het lijden wel genoeg kon overzien et cetera.’

Geen uitdrukkelijk verzoek 

(zie ook aan het begin van dit onderwerp onder ‘Andere medische beslissingen rondom het levenseinde’)

Voor gevallen van levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek (niet betreffende uitzichtloos en ondraaglijk lijdende pasgeborenen) blijft de sinds medio 1994 gehanteerde meldingsprocedure van kracht. Dat is het beleid van het openbaar ministerie (OM).

Ontbreekt een verzoek tot levensbeëindiging dan zijn de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (WTL) en de bijzondere strafuitsluitingsgronden van de artikelen 293 en 294 niet van toepassing. De regionale toetsingscommissies euthanasie zijn niet bevoegd een oordeel te geven.

Hierbij kan worden gedacht aan levensbeëindiging bij minderjarigen jonger dan twaalf jaar, andere wilsonbekwamen, comateuze of demente patiënten die geen schriftelijke wilsverklaring hebben ondertekend toen zij nog wilsbekwaam waren.

De gemeentelijke lijkschouwer stuurt de melding rechtstreeks naar de officier van justitie. Het openbaar ministerie zal moeten beoordelen of de arts terecht een beroep doet op overmacht in de zin van noodtoestand (artikel 40 Wetboek van Strafrecht) en moeten beslissen of de arts al dan niet vervolgd wordt (via een dagvaarding om voor de strafrechter te verschijnen).

Bron: Medische zaken (o.a. euthanasie) van het Openbaar Ministerie https://www.om.nl/onderwerpen/medische-zaken

Steun het werk van de RMU, juist ook als u zich betrokken weet bij medische en ethische kwesties. Word nu lid en draag uw steentje bij.

 

Laatst gewijzigd: juli 2019

Delen