• vakorganisatie met Bijbelse visie
  • brede dienstverlening
  • veel voordeel voor leden
Juridische aspecten

Het komt nogal eens voor dat een organisatie (vooral in de zorg) van haar werknemers eist dat zij zich laten inenten. Die eis dient wel proportioneel te zijn,dat wil zeggen: staat het middel (de vaccinatie) wel in juiste verhouding tot het beoogde doel? Tevens dient duidelijk te zijn of er geen minder ingrijpende alternatieven zijn die tot hetzelfde resultaat leiden.

Het is bekend dat het zich driemaandelijks laten controleren op het vóórkomen van Hepatitis B een vergelijkbare veiligheid geeft als de Hepatis B-vaccinatie. Wanneer duidelijk is dat bij werken binnen een bepaalde organisatie het infectiegevaar duurzaam en reëel is, en er daarom (binnen de instellingsvisie) grond is voor een verplichte vaccinatie, moet de uiterste consequentie getrokken worden wanneer het persoonlijke standpunt van de werknemer is dat vaccinatie nooit mag: niet solliciteren op een dergelijke betrekking.

Zo’n min of meer absoluut standpunt wint aan geloofwaardigheid wanneer betrokkene dat ook consequenties laat hebben voor andere terreinen van het leven. Een beroep doen op Gods voorzienigheid ten aanzien van inenting kan dan ook moeilijk verenigd worden met bijvoorbeeld het hebben van een verzekering of het gebruik van anticonceptiva.

Aansprakelijkheid

Een patiënt die zich niet heeft laten vaccineren neemt daarmee vanuit de instellingsvisie gezien een ‘bewust genomen risico’ waarvoor de zorginstelling niet aansprakelijk is, mits de instelling vanzelfsprekend wel heeft voldaan aan de onderzoeksplicht om zorgvuldig vast te stellen dat de patiënt zich bewust is van de risico’s en hij deze overziet.. De patiënt draait zelf op voor de door de patiënt geleden schade, van welke aard ook.

Een werknemer die zich bewust niet heeft laten vaccineren kan een gevaar opleveren voor de patiënten die aan diens zorgen zijn toevertrouwd. Wanneer aannemelijk is dat de niet-gevaccineerde werknemer verantwoordelijk is voor een daaruit voortvloeiende infectie bij de aan diens zorgen toevertrouwde patiënt, zeker als hierbij het instellingsbeleid is genegeerd waarbij alle preventieve maatregelen (inclusief vaccinatie) in acht dienen te worden genomen, is er een kans dat de bewuste werknemer aansprakelijk wordt gesteld voor de materiële (financiële) en immateriële schade. Het gaat dan om schade die aan de werkgever of een derde (jegens wie de werkgever aansprakelijk is omdat deze verantwoordelijk is voor handelen en nalaten van eigen personeel) met a) opzet of b) bewuste roekeloosheid is toegebracht. Volgens art.7:661 BW is de werknemer doorgaans niet aansprakelijk maar in de gevallen a) en b) wel. Opzet en / of bewuste roekeloosheid dient dan wel in rechte vast komen te staan. De lat voor dit oordeel ligt heel hoog.

Het moet duidelijk zijn dat deze overwegingen ingegeven worden door de juridische positie van de instelling. De afweging om al dan niet te vaccineren rust in de praktijk echter niet op risicocalculatie maar op geloofsoverwegingen.

Steun het werk van de RMU, juist ook als u zich betrokken weet bij medische en ethische kwesties. Word nu lid en draag uw steentje bij.

 

Laatst gewijzigd: juli 2019

Delen