Terug naar Kennisbank

Arbeid & beroep als opdracht uit de Bijbel

Dit is onderdeel van de RMU-nota Arbeidsvoorwaardenbeleid 2020.

In Genesis, het eerste boek van de Bijbel, staat de ontstaansgeschiedenis van de aarde, de schepping van de mens en de verhouding tussen God als Schepper en de mens als Zijn schepsel. Daarbij geeft God de mens onder andere de opdracht om een goed beheerder te zijn van alles wat op de aarde is. Hij wordt als rentmeester over de schepping aangesteld.

Dat houdt in dat de mens geen eigenaar is, maar beheerder. Hij draagt zorg voor datgene wat hem toevertrouwd is. Hij werkt in opdracht, een goddelijke opdracht, met een zekere vrijheid (mandaat), waarbij de kaders worden gevormd door Gods geboden. Als rentmeester is hij over zijn beheer verantwoording schuldig aan zijn Schepper. De mens is geroepen om in verbondenheid met en in volmaakte liefde tot God zijn arbeid te verrichten. Deze taak was in het begin van de schepping nog niet direct noodzakelijk tot levensonderhoud maar om de aarde te ontplooien en te beheren.

Voor Adam, de eerste mens op aarde, was arbeid een voortdurende vreugde, die nog niet met zorg of moeite gepaard ging. Vandaag leven we echter in een heel andere werkelijkheid. De goed geschapen mens heeft door de zondeval de gemeenschap met God, maar ook met zijn medemens verbroken. Als gevolg van de zonde is er op de aarde strijd gekomen tussen goed en kwaad en is het menselijk beheer van de aarde ontwricht. Dat heeft verstrekkende gevolgen, ook voor de arbeid. De opdracht tot arbeid is niet veranderd. Arbeid zelf is geen vloek geworden, maar gaat vanwege de zondeval en de straf die daaraan verbonden is wel met moeite gepaard.

Arbeid: tot eer van God

Voor God is geen sprake van verschil in waardering tussen handenarbeid of hoofdarbeid. Beslissend zijn onze houding en onze instelling: ‘de gezindheid van het hart’. Als in de Bijbel over arbeid gesproken wordt, staat dit in het licht van het dienen van God en de naaste. Dit houdt in dat al onze arbeid, zowel betaald als onbetaald, niet op onszelf gericht moet zijn, maar om God, de naaste en de gemeenschap te dienen. God wil de mens als instrument gebruiken in Zijn zorg voor alles wat op aarde is. Het is Zijn bedoeling dat onze arbeid of de vrucht daarvan nuttig is voor het onderhoud van gezin en familie. Als wij voedsel, kleding en onderdak hebben, als dus aan onze eerste levensbehoeften voldaan is, roept de Bijbel ons op daarmee tevreden te zijn. Daarnaast is het onze plicht een gedeelte van ons inkomen te gebruiken voor de instandhouding van de prediking van het Evangelie en diaconale hulp dichtbij en ver weg. Het gaat bij arbeid dus niet om het verwerven van rijkdom of om waardering van mensen te krijgen. Het gaat erom dat we onze gaven ontplooien tot Zijn eer en tot nut van onze naaste.

Arbeid: roeping en beroep

De opdracht of roeping om te arbeiden krijgt onder andere gestalte in de uitoefening van een geoorloofd, een goddelijk beroep. Of er sprake is van zo’n beroep kan afgemeten worden aan het doel of de dienst van onze arbeid. Het kiezen van een beroep of het veranderen van werk zou daarom niet zonder gebed moeten gaan. Bij de beroepskeuze is het verder van belang te letten op de gaven en talenten die we van God ontvangen hebben en de mogelijkheid om via een bepaald beroep een verantwoorde bijdrage te leveren aan de maatschappij.

Vanuit de notie dat arbeid tot dienst van God en de naaste behoort te zijn, mag bijzondere aandacht gevraagd worden voor het werken in bijvoorbeeld onderwijs en gezondheidszorg.

Ieder mens heeft, als hij of zij daartoe in staat is, de roeping om te werken en zal daarom naar een geschikte taak moeten uitzien. Het gaat daarbij niet over grote en bijzondere prestaties, maar over het gewone en alledaagse. Als het werk echter in trouw en afhankelijkheid gedaan wordt, staat dat in het perspectief van Gods Koninkrijk.

Ook onbetaalde arbeid heeft nadrukkelijk een dienend karakter. Daarmee kan eveneens een betekenisvolle invulling gegeven worden aan de Bijbelse opdracht. Op verschillende plaatsen in de Bijbel is te lezen over onbetaald werk dat brede betekenis heeft. De nadruk die in het huidige maatschappelijke leven op betaalde arbeid valt, dient dan ook gerelativeerd te worden. Onbetaalde arbeid in zowel het gezin als vrijwilligerswerk naast betaald werk of na pensionering of vervroegde uittreding, is een waardevolle invulling van de christelijke roeping.

Arbeid: verhoudingen

De Bijbel spreekt op verschillende plaatsen over de verhouding tussen werkgever en werknemer. De werkgever moet zijn werknemer rechtvaardig behandelen, billijk belonen en belangstelling hebben voor hem als medemens.
Van de werknemer wordt ten opzichte van de werkgever ijver en trouw, inzet en toewijding geboden. Deze houding wordt niet alleen gevraagd ten opzichte van een meerdere die aardig of vriendschappelijk is, maar ook ten opzichte van een minder respectvolle leidinggevende of werkgever. Verder wordt van werknemers gevraagd om op een eenvoudige en gewillige manier gehoorzaam te zijn aan hun meerderen, op dezelfde manier als wij Christus gehoorzaam dienen te zijn.
Evenals in alle onderlinge verhoudingen, geldt ook binnen de arbeidsverhouding tussen werkgever en werknemer het dubbele liefdegebod: God liefhebben boven alles en de naaste als uzelf.

Dat betekent dat stakingen en werkweigeringen afgewezen worden. De regel is dat staken alleen mag als doorwerken zonde is. Arbeidsconflicten op alle niveaus dienen in onderling overleg te worden opgelost. Dat geldt ook zoveel mogelijk voor persoonlijke problemen in de arbeidsrelatie. Bemiddeling in de vorm van mediation kan hierbij goede diensten bewijzen.

Arbeid en rust

Werk en rust horen bij elkaar. Direct na de voltooiing van Zijn schepping heeft God een rustdag ingesteld: in zes dagen schiep Hij hemel en aarde en op de zevende dag rustte Hij van Zijn werk. De rustdag is dan ook een scheppingsgave met een universeel en altijd geldende betekenis. Het sabbatsgebod, het vierde gebod van de Tien Geboden, wijst ook terug naar deze goddelijke instelling van de rustdag: ‘Gedenkt de sabbatdag, dat u die heiligt’. De zondag is er niet alleen om uit te rusten van alle vermoeienissen en beslommeringen die het dagelijkse werk met zich brengt. Deze dag heeft ook een geestelijke meerwaarde. De rustdag wijst vooruit naar de eeuwige rust voor de gelovigen bij God. De zondag is een wekelijkse gift, bij uitstek de dag waarop de mens mag genieten van Gods zegeningen.

Bovendien wordt op de zondag wekelijks de opstanding van Christus gevierd in de christelijke gemeente. Deze dag staat dan ook in het teken van de dienst van God. Daarom wordt er groot belang gehecht aan het handhaven van de aparte positie van deze dag.

Als het gaat om zondagsarbeid geeft de Bijbel op meerdere plaatsen (o.a. Mattheüs 12:12) aan dat werken van barmhartigheid en van noodzakelijkheid zijn toegestaan. Christus heeft Zelf aanwijzingen gegeven om op de sabbat het goede te doen. Bovenal zijn die werkzaamheden geoorloofd die dienstbaar zijn aan de verkondiging van het Evangelie en de uitbreiding van het Koninkrijk van God. Alle zondagsarbeid die niet aan één van deze criteria voldoet, moet in het licht van de Bijbel afgewezen worden.

Arbeid en Economie in Bijbels perspectief

Arbeid en economie zijn nauw met elkaar verbonden. Zoals eerder al is aangegeven staat het liefdesgebod hierbij centraal: God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf. Dit kan worden uitgewerkt in vier Bijbelse uitgangspunten: discipelschap, burgerschap, rentmeesterschap en vreemdelingschap.

1. Discipelschap

In een christelijke mensvisie heeft de persoonlijke verantwoordelijkheid een centrale plaats. Dit veronderstelt vrijheid van handelen, bijvoorbeeld om te werken, te ondernemen, te verzorgen of anderszins. De meeste mensen in onze samenleving verdienen daarmee hun dagelijks brood. Arbeid is een Bijbelse opdracht. Maar wanneer een mens daarbij in het horizontale vlak blijft steken, ligt het gevaar van zelfzucht op de loer. Vanwege onze neiging tot zonde, tot grensoverschrijdend gedrag, is het nodig dat we ons laten gezeggen door het Woord van God. Doen we dat niet, dan wordt de mens zelf maat van alle dingen. Dan gaat het recht van de sterkste, van de machtigste – die vaak ook de rijkere is – gelden. Discipelschap houdt in dat we God liefhebben boven alles. Daarmee ligt de diepste zin van ons leven in de navolging van Christus. Hij heeft tijdens Zijn leven op aarde God volmaakt gediend en tegelijk nooit Zichzelf bedoeld, maar Zich volkomen dienstbaar opgesteld ten opzichte van Zijn naaste. Zo heeft Hij ons ook een voorbeeld nagelaten.

2. Burgerschap

De opdracht om de naaste lief te hebben als onszelf brengt ons bij Bijbelse normen voor burgerschap. Calvijn (reformator en bijbelwetenschapper uit de 16e eeuw) heeft daar indrukwekkende dingen over geschreven. Bijvoorbeeld dat wij onze bezittingen moeten uitdelen aan behoeftige medemensen. ‘Alles wat aan hen besteed wordt, rekent God aan als iets wat aan Hem gegeven wordt.’ Vanuit Bijbels perspectief hebben we zelfs de sociale plicht voor onze naaste te zorgen. Waar economische groei ongelijkheid en armoede veroorzaakt, zal christelijk burgerschap een eerlijker verdeling van de welvaart nastreven! Anno 2015 geldt dat niet alleen voor de mondiale economische verhoudingen, maar ook binnen Europa en binnen Nederland. Zeker als mensen door werkloosheid, ziekte, een handicap of arbeidsongeschiktheid in een kwetsbare positie verkeren en soms nauwelijks nog toegang hebben tot de arbeidsmarkt. Een christen heeft oog voor de ander en weet zich geroepen zijn naaste bij te staan in het kader van de participatiemaatschappij.

3. Rentmeesterschap

Rentmeesterschap bepaalt ons erbij dat heel de aarde en alles wat daarop is van God zijn. Een mens is geen absoluut eigenaar van zijn bezittingen. De aardse goederen zijn ons in bruikleen gegeven en over het beheer dienen we rekenschap af te leggen. Na ons leven aan God, tijdens ons leven aan medemensen en aan de overheid, die met het oog daarop volmacht van God heeft gekregen. De mens is rentmeester, zoals al aan het begin van dit hoofdstuk aangegeven. We hebben de opdracht deze aarde te bouwen en te bewaren, maar door de zonde lukt het ons nauwelijks om hierin een balans te vinden. De schepping zucht onder het ongebreideld menselijk streven naar welvaart. De wereld wordt er niet alleen maar beter op en de samenleving gaat zeker niet altijd vooruit, ook al presteert de moderne mens nog zoveel. Schepping en mens zijn pas echt vrij als Gods verlossing in Christus werkelijkheid wordt met Zijn wederkomst en de vernieuwing van hemel en aarde.

4. Vreemdelingschap

Daarmee komen we op het laatste principe: vreemdelingschap. De Bijbel tekent de christen als een pelgrim, op weg naar de hemel. De moderne mens wil echter de toekomst naar het heden trekken. Krampachtig poogt hij – los van God – hier en nu de perfecte samenleving te realiseren. Dat kan een liberale welvaartsmaatschappij zijn met maximale keuzevrijheid, of een socialistische heilsstaat zonder ongelijkheid. Maar het zijn beide luchtkastelen, zonder fundament. Vreemdelingschap betekent dat ons hoogste geluk niet ligt in welvaart en bezit, maar in het kennen van God en de rijke toekomst die Hij bereid heeft voor die Hem liefhebben. Daarmee staat het haaks op het moderne levensgevoel.

Economische groei maakt ons rijker maar uiteindelijk niet gelukkiger. De Bijbel wijst ons de weg naar een ‘economie van het genoeg’, die ons misschien niet rijker maakt, maar wel gelukkig.

Volg ons op Instagram voor inspiratie tijdens je koffiepauze.

Volg ons: rmu.nu