Terug naar Kennisbank

Kansen en bedreigingen van robotisering

Gepubliceerd op 2020-06-27

Dit is onderdeel van de RMU-nota Arbeidsvoorwaardenbeleid 2020.

Robotisering is een onderwerp vol controverses. De toenemende rol van robots in de samenleving roept niet alleen tegengestelde gevoelens op, maar leidt ook tot tegengestelde prognoses voor de toekomst. Wat het eerste betreft: zowel robo-fobie (angst voor robots) als robo-filie (enthousiasme ten aanzien van robots) komen voor in rapporten en commentaren. Wat het tweede betreft: de prognoses variëren van vrijwel geen banenverlies (of zelfs toename van de werkgelegenheid) tot 40% banenverlies in Nederland.

De oorzaak van deze controverses ligt in de complexiteit van de materie. Er spelen technische, psychologische, economische, sociale, juridische, ethische en vertrouwensaspecten een rol. Daarom is een brede discussie over dit onderwerp noodzakelijk. Een Bijbelse visie op techniek en arbeid levert een goede basis voor zo’n discussie. Die visie bevat onder meer het unieke van de mens ten opzichte van robots, en normen voor een verantwoorde inzet van technologie.

Bredere context

Robotisering staat niet op zichtzelf. Het is een onderdeel van een bredere ontwikkeling van nieuwe technologieën waarin de verwerking van data en informatie centraal staat. Deze op zich zeer verscheiden ontwikkelingen roepen vragen op waarin een aantal gemeenschappelijke waarden spelen.

Enkele ontwikkelingen waarbij het vooral gaan om data, en waarbij apparaten en machines minder nadrukkelijk aanwezig zijn, zijn:

  • het Internet of Things,
  • sociale media
  • Big Data,
  • Blockchain,
  • elektronische leeromgevingen,
  • augmented/virtual reality.

Een voorbeeld van ontwikkelingen waar machines meer zichtbaar zijn, maar vooral binnen de bedrijfscontext, is:

-          automatisering van ontwerp- en productieprocessen.

Voorbeelden van ontwikkelingen waarbij machines en apparaten ook voor de maatschappij merkbaar aanwezig zijn, zijn:

  • robots in de zorg,
  • op het vliegveld,
  • grasmaaier-robots en stofzuiger-robots,
  • autonome auto’s.

Door deze ontwikkelingen heen spelen een aantal gemeenschappelijke waarden:

-          privacy; deze waarde speelt onder meer bij het Internet of Things (mijn koelkast ‘weet’ bijvoorbeeld op den duur hoeveel melk ik per week gebruik en dat kan voor de leverancier interessante informatie zijn, waarvan ik het niet noodzakelijk waardoor dat de leverancier daarover beschikt), Big Data (elke keer als ik bij de NS in’ en uitcheck draag ik bij aan Bog Data over mobiliteit, die de NS zou kunnen gebruiken om de prijs van abonnenten aan te passen en het is de vraag of ik daar blij mee ben), sociale media (gegevens over mij kunne in korte tijd voor zeer velen beschikbaar gesteld worden zonder dat ik daar zeggenschap in heb),

-          veiligheid; deze waarde speelt onder meer bij de autonome auto (die gehackt kan worden met alle gevolgen van dien), Blockchain (het is een illusie te denken dat de beveiliging hiervan waterdicht is, zoals regelmatig gesuggereerd wordt) en opnieuw de sociale media (er zijn voorbeelden van mensen die zelfmoord gepleegd hebben nadat zij via de sociale media zwart gemaakt waren);

-          menswaardigheid; deze waarde speelt een rol bij het gebruik van robots (is het moreel aanvaardbaar om een demente bejaarde ‘af te schepen’ met een robot-zuster omdat die bejaarde toch niet in de gaten heeft dat zij/hij niet door een mens verpleegd wordt?);

-          reductionisme; data geven niet de hele werkelijkheid weer maar slechts een deel daarvan (namelijk dat wat in getallen uitgedrukt kan worden). Dit speelt een rol in Big Data (ik ben als reiziger meer dan mijn in- en uitcheck gegevens), sociale media (het elektronische contact is een gereduceerde vorm van intermenselijk contact vergeleken bij het directe fysieke contact) en virtuele werelden (het fysieke ontbreekt hier en dat is een wezenlijk deel van ons mens-zijn);

-          werkgelegenheid; dat speelt met name een rol bij de automatisering en robotisering;

-          duurzaamheid; velen zijn zich er niet van bewust wat een substantiële aanslag ICT-applicaties op het milieu plegen door hun continue energieverbruik.

Deze opsomming maakt duidelijk dat al deze ontwikkelingen geenszins slechts instrumenteel en daarom waardenvrij zijn. Steeds dienen we te vragen naar de manier waarop aan deze waarden recht gedaan kan worden, niet om daarmee de ontwikkeling tegen te houden, maar omdat het doel waarmee de technologie ontwikkeld is, alleen tot zijn recht kan komen, als ook aan deze waarde recht gedaan wordt.

Na deze brede oriëntatie richten we ons vervolgens op het meer specifieke gebied van de robotisering, omdat dit van alle ontwikkelingen in de context van dit document een van de belangrijkste is.

Achtergronden van robotisering

De term ‘robotisering’ is afgeleid van het woord ‘robot’. De Tsjechische science fiction auteur Karel Čapek introduceerde dat woord in zijn boek R.U.R. dat in 1920 verscheen. Inmiddels zijn robots integraal deel van onze leefwereld. We moeten dan wel loskomen van het beeld van een blikken mannetje, want ook een pinautomaat is een robot, net als de automatische grasmaaier. Bij automatisering spreken we vooral in de context van het arbeidsproces. Dan moeten we bijvoorbeeld denken aan de lasrobot in de autofabriek.

Overigens is de ontwikkeling van de humanoïde robot (de op een mens lijkende robot) indrukwekkend. Een zeer geavanceerd voorbeeld van zo’n robot is Sophia, die in Saoedi-Arabië zelfs tot staatsburger verklaard werd. Deze robot heeft zeer menselijk aandoende gelaatsuitdrukkingen, kan een interview doorstaan, en zelfs grapjes maken. Natuurlijk kan de robot niet buiten zijn repertoire opereren, maar dankzij de zelflerende systemen in de robot breidt dit repertoire zich voortdurend uit. De robot roept door zijn sterke gelijkenis een zekere onrust op bij mensen. De experts speken van een zogenaamde ‘uncanny valley’. Robots die weinig op ons lijken (zoals de graasmaaierrobot en de stofzuigerrobot) roepen geen angst op, en ook niet de robot die zoveel op ons lijkt dat we niet in de gaten hebben dat we met een robot te doen hebben. Het is juist dat gebied ertussenin dat ons onrustig maakt (zie bijvoorbeeld het BBC-interview met robot Sophia op Youtube: https://www.youtube.com/watch?v=kWlL4KjIP4M).

Op dit moment is de rol van robots in het bedrijfsleven nog tamelijk gering, aldus dr. Fabian Dekker, arbeidssocioloog aan de Erasmus Universiteit Rotterdam in het WRR rapport De robot de baas (Den Haag/Amsterdam, 2015). Hij betreurt dat omdat volgens hem de oorzaak hiervan deels bestaat uit een ongefundeerde vrees voor robotisering als zouden robots altijd en overal mensen kunnen vervangen. Voorlopig zijn er altijd mensen nodig omdat die eigenschappen bezitten die robots niet hebben. Robots doen het vooral goed in goed voorspelbare situaties. Die doen zich het meest voor in routinematig werk. Zodra zich iets onverwachts voordoet en creativiteit en flexibiliteit nodig zijn, legt de robot het al snel af tegen de mens.

Maar dat lijkt snel te veranderen. Robots zijn steeds meer in staat om te reageren op veranderingen in hun omgeving. Ook hun fysieke beperkingen, zoals het niet goed kunnen uitoefenen van kleine krachten en gebrek aan fijne motoriek, nemen af. Robots kunnen een ei pakken zonder het fijn te knijpen en er bestaat al een robot die in staat is niet onverdienstelijk viool te spelen. Robots zijn ook in toenemende mate in staat om ogenschijnlijk emoties te vertonen. Een Aibo-hondje kan op zijn baasje reageren op een manier die veel lijkt op wat een echt hondje zou doen. De autonome auto is in staat te manoeuvreren door een normale verkeerssituatie, met al de complexiteit van dien (overstekende voetganger, tegenliggers, verkeersborden, enzovoorts). Omdat de robot steeds meer ‘smart’ wordt, ontstaan er steeds meer mogelijkheden om de robot in te zetten. Zo wordt er gewerkt aan de ontwikkeling van ‘smart grids’ (intelligente elektriciteitsnetwerken, die flexibel inspelen op vraag en aanbod), ‘smart homes’ waarin de apparaten in huis zich aanpassen aan het gedrag van de bewoners, en het al eerder genoemde ‘ Internet of Things’, waaraan allerlei ‘smart devices’ hangen, zoals de koelkast die zelf aangeeft of er een nieuw pak melk besteld moet worden.

De verwachtingen over de effecten van deze ontwikkeling lopen sterk uiteen. McKinsey produceerde voor de Detailhandel Nederland het rapport Werk aan de winkel waarin sprake is van een verlies van 10-25% van de totale werkgelegenheid in de detailhandel in 2025 ten opzichte van nu, als gevolg van toenemende automatisering en de opmars van buitenlandse spelers, die daarmee samenhangt (Amsterdam, 2016). In een later rapport van het McKinsey Global Institute, getiteld A Future that Works: Automation, Employment and Productivity (januari 2017) wordt een genuanceerder beeld gegeven, doordat niet naar hele banen, maar naar taken binnen banen gekeken wordt. Volgens die analyse zouden slechts 5% van de banen helemaal verdwijnen en de rest verandert meer of minder ingrijpend van karakter. Die karakterverandering zit vooral in het vervangen van routinematig door meer cognitief uitdagend werk. Het rapport schat in dat tegen 2055 bijna de helft van alle taken geautomatiseerd kan zijn, maar dat betekent dus niet dat de helft van de banen verdwijnt. Binnen bestaande banen zullen vooral routinematige taken door robots worden vervangen, terwijl de taken die creativiteit en flexibiliteit vergen deel van die baan zullen blijven uitmaken. McKinsey erkent wel dat de gevolgen voor overheden gecompliceerder zijn dan voor de bedrijven, omdat er veel veranderingen nodig zijn om behoud van het welzijn van de werknemers te garanderen. Zo zal de kennis en vaardigheden van lager en  middelbaar opgeleide werknemers moeten veranderen. In plaats van het aanleren van routinematige taken, die door robots worden overgenomen, zal meer plaats voor het leren samenwerken met de robot komen. Ook moeten allerlei regelingen voor inkomensondersteuning (om de periode van herscholing financieel door te komen) en voor veiligheid worden aangepast. Volgens een recent rapport van de Rathenau Stichting gaan in Nederland vooral banen verloren in de detail- en groothandel, de financiële dienstverlening, de vervoerssector en de voedingsindustrie. In de overige industrie en de bouw kan de robotisering tot toename van de werkgelegenheid leiden.

In de zorg is een groot tekort aan personeel. Robotisering zal daar geen bedreiging voor de werkgelegenheid vormen omdat er meer vacatures zijn dan kandidaten om die in te vullen. Een robot die in de zorg wordt ingezet kan bovendien maar ten dele de plaats innemen van een mens. Het scala aan handelingen dat een zorgrobot kan uitvoeren is nog beperkt en vaak gaat het om robots die meer als gezelschap dienen (voor bejaarden bijvoorbeeld) dan robots die allerlei werkzaamheden verrichten.

Ook in het onderwijs zijn tekorten aan personeel en zal de robot niet snel een bedreiging voor de werkgelegenheid gelden. Ook hier geldt dat een robot maar ten dele de werkzaamheden van een mens kan overnemen. Robots kunnen informatie verwerken maar om onderwijs te geven is meer nodig (het begrijpen van de inhoud van die informatie). Robots worden wel steeds beter in die informatieverwerking maar het begrijpen van een leerprobleem bij een leerling of student gaat verder dan informatieverwerking. Een vacature in het onderwijs zal dus niet volwaardig door een robot ingevuld kunnen worden. Techniekfilosoof Langdon Winner heeft overigens een filmpje opgenomen waarin hij op humoristische wijze de draak steekt met het idee dat een Automated Professor Machine (APM) als volwaardig docent zou kunnen fungeren (https://www.youtube.com/watch?v=vYOZVdpdmws).

Visie RMU

In de RMU visie op robotisering spelen drie aandachtspunten een rol: (1) recht doen aan een Bijbelse mensvisie, (2) recht doen aan een Bijbelse techniekvisie en (3) recht doen aan een Bijbelse visie op doel en aard van arbeid.

In een Bijbelse visie op de mens is deze de enige die verantwoording kan afleggen voor zijn handelen. Dieren handelen op basis van instincten en kunnen hiervoor geen verantwoording afleggen. Technische apparaten handelen op basis van de eigenschappen die door mensen zijn vastgelegd. Waar dieren nog gevoelens kennen, hebben apparaten ook dat niet. Dit ligt anders in een materialistisch wereldbeeld waarin niets anders bestaat dan materie en waarin mens, dier en apparaat principieel niet van elkaar verschillen. In een Bijbelse visie op robotisering zal recht gedaan worden aan het fundamentele verschil tussen mens, dier en apparaat. Wil een mens verantwoording kunnen afleggen, dan moet hij keuzevrijheid gehad hebben. Hoezeer het aantrekkelijk lijkt om deze aan de mens met zijn beperktheden te ontnemen en te leggen bij de voorspelbare techniek, het zal uiteindelijk toch de mens moeten zijn die de uiteindelijke beslissing neemt om bepaalde handelingen aan de techniek uit handen te geven en andere handelingen aan zichzelf te houden.

De RMU is daarom van mening dat de beslissing ten aanzien van de handelingen die aan de techniek worden overgelaten en de handelingen die de mens (arbeider, gebruiker, enzovoorts) aan zichzelf wil houden, bij de mens behoort te liggen.

Bij die beslissing moet verdisconteerd worden dat bepaalde handelingen zo voorspelbaar en gestandaardiseerd zijn, dat het apparaat die nauwkeuriger en langduriger kan uitvoeren. Zodra er echter onvoorspelbare elementen betrokken zijn bij de handelingen (bijvoorbeeld in een nog relatief nieuwe situatie of in een snel veranderende situatie) komt nog een uniek aspect van de mens naar voren, namelijk zijn creativiteit. Een apparaat kan wel zekere nieuwe handelingen ‘leren’, maar alleen binnen de grenzen van zijn in geprogrammeerde eigenschappen. Bij alles wat daar buiten gaat, is het apparaat niet in staat verantwoorde beslissingen te nemen.

De RMU pleit er daarom voor bij alle beslissingen over robotisering zorgvuldig te onderzoeken in hoeverre zich omstandigheden kunnen voordoen die niet tevoren konden worden voorzien (wat die omstandigheden zijn, kan dan uiteraard niet voorzien worden, maar wel de mogelijkheid dat er onverwachte omstandigheden zullen zijn) en daarvan te laten afhangen welke handelingen aan de techniek worden overgelaten en welke bij de mens moeten blijven berusten.

Eigen aan de mens is ook dat deze beschikt over gevoelens en intuïtie.  In onze tijd is de neiging om slechts de ratio te laten spreken in beslissingen over de inzet van technologie. Van mensen wordt verwacht dat zij allerlei intuïtieve angsten opzij zetten nadat zij met argumenten overtuigd zijn van de noodzaak om technologie in te zetten. Dan wordt geen recht gedaan aan de gevoelens van mensen. Bovendien kan intuïtie een nuttige aanvullende kenbron zijn. Mensen voelen soms haarscherp aan, zonder dat ze dat met objectieve argumenten kunnen onderbouwen, wat verantwoord is en wat niet. Dat geldt met name als ze al lange tijd ervaring met een bepaald proces hebben (zoals oudere en ervaren werknemers). Aan deze eigenschap van de mens moet recht gedaan worden.

De RMU pleit er daarom voor bij beslissingen over de invoering van robotisering intuïtieve gevoelens ten aanzien daarvan serieus te nemen (vooral wanneer deze door ervaren werknemers naar voren gebracht worden) en niet te overrulen door zakelijke argumenten.

Tenslotte moet rekening gehouden worden met het Bijbelse gegeven dat de mens als kroon op Gods schepping een speciale waarde heeft, die gerespecteerd moet worden. Menswaardigheid kan in robotisering op verschillende manieren bedreigd worden. Allereerst kan de veiligheid van de mens in gevaar zijn. Wanneer een robot onverwacht bepaalde bewegingen gaat maken in de nabijheid van mensen, kunnen gevaarlijke situaties ontstaan. Hoewel het hier juist gaat om onverwachte situaties, moet het risico zo goed mogelijk ingeschat worden zodat de veiligheid van mensen zo goed mogelijk gewaarborgd is. In de tweede plaats kan de privacy van mensen in het geding komen, doordat robots informatie over mensen verzamelen en opslaan. Belangrijk is de vraag wie tot die informatie toegang heeft en wat met die informatie gedaan mag worden. Ten derde kan de interactie tussen mens en robot zodanig zijn dat de mens volstrekt ondergeschikt wordt aan de robot. De mens verwordt dan tot een verlengstuk van het apparaat. In vergaande pretenties van robotisering, waarbij de grens tussen mens en machine vervaagt (het idee van de ‘cyborg’ bijvoorbeeld) komt de menswaardigheid gemakkelijk in het gedrang. Er zijn voorbeelden van situaties waarbij het gevaarlijk is wanneer de mens geen controle over de robot meer heeft. In de begintijd van ‘fly-by-wire’, waarbij het vliegtuig zelf stuurt, zijn er ongelukken gebeurd omdat de piloot het systeem niet kon uitschakelen bij een onverwachte gevaarlijke situatie. Ook bij de autonome bus Phileas in Eindhoven is het gebeurd dat deze de pui van NS-station Eindhoven inreed zonder dat de chauffeur er iets aan kon doen.

De RMU is van mening dat in beslissingen over robotisering rekening gehouden moet worden met de veiligheid en privacy van de mens en voorkomen moet worden dat de mens geen controle meer over de robot heeft.

Behalve aan een Bijbelse mens visie moet ook recht gedaan worden aan een Bijbelse visie op techniek. Techniek is allereerst een zegen die aan de mens gegeven is om de schepping verder te ontplooien. Sinds de zondeval is de techniek echter in dienst van zelfzucht en eigenbelang gekomen. Door genade blijft echter ook de mogelijkheid om de techniek ten goede te ontwikkelen en te gebruiken. Het motief waarmee techniek ontwikkeld en ingezet wordt is van groot belang in de beslissingen daarover, ook in het geval van robotisering. Dat motief hangt samen met de normen die gehanteerd worden bij ontwikkeling en gebruik van techniek. Er wordt wel gesproken over ‘value-sensitive design’. Al in de ontwerpfase moeten normen worden gehanteerd die gericht zijn op doelen die verantwoord zijn om na te streven. In dit verband is wel de term ‘ethische software’ genoemd. Een klassiek voorbeeld daarvan zijn de wetten van Asimov (een robot mag de mens geen kwaad doen, een robot moet de mens gehoorzamen tenzij hij dan een ander mens kwaad doet, en een robot mag zichzelf beschermen mits hij daarbij geen mens kwaad doet). Hoewel ontstaan in de context van science fiction, zijn ze voor de praktijk relevant. Ze zijn echter rudimentair en behoeven verdere uitwerking en concretisering. Bovendien moeten deze normen niet alleen betrokken zijn op het handelen van de robot zelf (zoals bij Asimov’s wetten), maar ook op bescherming tegen oneigenlijke handelingen met de robot (het ‘hacken’ ervan zodat de robot plotseling ander, mogelijk bedreigend gedrag gaat vertonen).

De RMU is van mening dat bij de ontwikkeling van robots uitgegaan moet worden van normen die gericht zijn op gewenst gedrag van de robot zelf en bescherming van de robot tegen oneigenlijke invloeden van buitenaf.

In de derde plaats is een Bijbelse visie op arbeid van belang. Dat betreft allereerst het doel van arbeid. Dat kan verschillend zijn, maar het kan in geen geval zo zijn dat groei een doel in zichzelf wordt. Dat is bij robotisering zeker een verleiding. Robotisering wordt vaak ingevoerd met groei van productie, en economische groei als gevolg daarvan, als doel zonder dat daarbij nagedacht wordt over de vraag waarom die groei wenselijk is. Aan het slot van hoofdstuk 2.1 Economie en arbeid worden daarvoor normerende principes aangegeven. Te gemakkelijk wordt er als vanzelfsprekend van uit gegaan dat groei altijd vooruitgang betekent. Het gaat echter niet alleen om kwantiteit, maar ook om kwaliteit.

De RMU pleit er daarom voor dat alle beslissingen om robotisering in te voeren gemotiveerd worden vanuit een kwalitatief onderliggend motief en niet vanuit een vanzelfsprekende aanname dat toename in kwantiteit op zichzelf wenselijk is.

In een Bijbelse visie op arbeid speelt opnieuw de waardigheid van de mens een rol. Het behoort tot menswaardige arbeid dat de mens hierin ook kan groeien. Opleiding is daarbij belangrijk, zeker in het geval van robotisering. In de opleiding moet aandacht besteed worden aan de omgang met robotisering, niet alleen in technische zin (welke handelingen moeten worden verricht zodat de robot zijn werk kan doen), maar ook de goede verhouding van werknemer tot robot (bijvoorbeeld: weten wat te doen als het gevoel van ondergeschiktheid aan de robot en verlies van controle ontstaat). Al bij de discussie over de invoering van robotisering moet de stem van de werknemer worden meegenomen. Deze is immers geen ‘werkslaaf’. Op die manier ontstaat ook beter draagvlak voor de invoering van de robotisering. Men spreekt in dit verband wel van ‘upstream engagement’.

De RMU pleit voor ‘upstream engagement’ bij de invoering van robotica, zodat werknemers betrokken worden in het hele proces en een goed draagvlak ontstaat.

Bijbels gezien is de arbeider zijn loon waard. De SER heeft in haar advies Mens en technologie: samen aan het werk (robotisering) (2016) gewezen op inkomensverschuivingen als mogelijk gevolg van robotisering.

In navolging van de SER staat de RMU handhaving van een goede inkomensverdeling voor bij invoering van robotisering, waarbij de financiële voordelen van robotisering op een eerlijke manier doorwerken bij alle betrokkenen.

De door Bill Gates voorgestelde ‘robotbelasting’ over inkomsten op basis van werk dat door robots is verricht, om daarmee bijvoorbeeld meer werkgelegenheid in ouderenzorg of kinderopvang op school te bekostigen, is in dat verband  een interessante gedachte. Het is wel billijk om ervoor te zorgen dat de met de robotbelasting gecreëerde werkgelegenheid allereerst ten goede komt aan degenen wiens werk door de robot is overgenomen.

De waarde van robotisering komt alleen tot haar recht wanneer de eigen plaats en verantwoordelijk van de mens als uniek wezen in de arbeidssituatie ten opzicht van de robot ruimschoots gestalte krijgt.


Bronnen:

  • Martin Dewhurst, A future that works: automation, employment and productivity. McKinsey Global Institute, 2017.Rinie van Est en Linda Kool (red), Werken aan de robotsamenleving. Visies en inzichten uit de wetenschap over de relatie technologie en werkgelegenheid. Den Haag: Rathenau Instituut, 2015.
  • Jörn Küpper, Dymfke Kuijpers, Madeleine Tjon Pian Gi en Lisette Steins, Werk aan de winkel: Nederlandse detailhandel in versnelling richting 2025. Amsterdam: McKinsey, 2016.
  • James Manyika, Michael Chui, Mehdi Miremadi,  Jacques Bughin, Katy George, Paul Willmott and
  • Sociaal Economische Raad, Mens en technologie: Samen aan het werk. Den Haag: SER, 2016.
  • Robert Went, Monique Kremer en André Knottnerus (red.), De robot de baas. De toekomst van werk in het tweede machinetijdperk. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2015.

Volg ons op Instagram voor inspiratie tijdens je koffiepauze.

Volg ons: rmu.nu