Terug naar Kennisbank

Zo krijgen we perspectief op pensioen & AOW

Gepubliceerd op 2020-06-27

Dit is onderdeel van de RMU-nota Arbeidsvoorwaardenbeleid 2020.

De pensioenregeling is een van de duurste secundaire arbeidsvoorwaarden in een arbeidsvoorwaardenpakket. De meeste pensioenregelingen voorzien in een inkomen vanaf de pensioendatum, een inkomen voor de partner na overlijden van de werknemer en een inkomen of vrijstelling van premiebetaling bij arbeidsongeschiktheid. Vanwege de dalende rente en de toenemende levensverwachting stijgen de pensioenkosten nog steeds. De houdbaarheid van het pensioenstelsel komt dan ook steeds verder onder druk te staan.

Vanwege deze stijgende kosten, de regelgeving die leidt tot kortingen van de (opgebouwde) pensioenuitkeringen en de complexiteit van de pensioenmaterie is er een forse vertrouwenscrisis ontstaan tussen pensioendeelnemers enerzijds en de pensioensector/rijksoverheid anderzijds inzake de arbeidsvoorwaarde pensioen. De houdbaarheid van het pensioenstelsel vereist dat wordt nagedacht over duurzame oplossingen die de balans tussen jong en oud in stand houden en de pensioenen betaalbaar houden. In dit hoofdstuk wordt een analyse gegeven van de huidige situatie en de visie van de RMU op de arbeidsvoorwaarde pensioen.

Achtergronden

Als het gaat over de pensioenregeling gaat het over een voorziening bij ouderdom, een voorziening voor de nabestaanden bij overlijden en een voorziening in geval van arbeidsongeschiktheid. In de Nederlandse context organiseren we deze voorzieningen via het zogenaamde drie pijlerstelsel. De eerste pijler gaat over wat de overheid regelt aan voorzieningen. Het gaat dan om de AOW (Algemene Ouderdomswet) die een uitkering regelt bij ouderdom, de ANW (Algemene nabestaandenwet) die een uitkering regelt voor de nabestaanden bij overlijden en de WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) die een uitkering regelt bij arbeidsongeschiktheid.

De tweede pijler gaat over wat er wordt geregeld in de relatie werkgever en werknemer (bijv. via een pensioenregeling, additionele voorzieningen zoals onder andere WGA-hiaat en WIA-excedentverzekering en een ANW-hiaatverzekering). Daarnaast hebben we de derde pijler. De voorzieningen die geregeld worden via privé. Bijvoorbeeld lijfrentesparen (banksparen) voor de oudedag of extra voorzieningen bij overlijden en arbeidsongeschiktheid. De ZZP’er is veelal voor (aanvullende) dekkingen aangewezen op de derde pijler. De WIA uit de eerste pijler is een werknemersverzekering en niet van toepassing op ZZP’ers.           

De financiering van de verschillende voorzieningen gebeurt grofweg op drie verschillende manieren: (1) tegen een premiebetaling die gebaseerd is op een inschatting van het risico zoals bijvoorbeeld bij voorzieningen voor overlijden en arbeidsongeschiktheid; (2) tegen een premiebetaling die gebaseerd is op een omslagstelsel zoals bij de AOW waar de premies van nu worden gebruikt voor de uitkeringen van nu; (3) tegen een premiebetaling of koopsombetaling op basis van een kapitaaldekkingsstelsel zoals bij het (ouderdoms)pensioen in de relatie werkgever en werknemer en bij privé voorzieningen waarbij daadwerkelijk wordt gespaard voor de oude dag.

Wat betreft de eerste pijler zorgen de toenemende levensverwachting en vergrijzing voor druk op de betaalbaarheid van AOW. Er zijn meer ouderen en een AOW-uitkering moet gemiddeld genomen langer worden betaald. Om de kosten van de AOW te beteugelen heeft de overheid de AOW-leeftijd verhoogd. Wat betreft de tweede pijler zorgen toename van de levensverwachting en de lage rente voor forse druk op de vermogensposities van pensioenuitvoerders. Dit heeft al geleid tot kortingen van pensioenuitkeringen en fors stijgende pensioenkosten. Ook voor 2020 en 2021 wordt gevreesd voor pensioenkortingen wat het reeds aanwezige wantrouwen richting de pensioensector alleen maar zal versterken. De roep om verandering van het pensioenstelsel klinkt dan ook steeds luider.

Regeerakkoord 10 oktober 2017

Op 10 oktober 2017 is het regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ van het kabinet Rutte III gepresenteerd. Het kabinet was voornemens – in overleg met sociale partners – het pensioenstelsel ingrijpend te herzien: ‘Ook in ons pensioenstelsel is een nieuwe balans nodig. We willen van abstracte aanspraken die leiden tot teleurstellingen, naar de opbouw van individueel pensioenvermogen. Elementen van collectieve risicodeling blijven daarbij verstandig en noodzakelijk. Samen met sociale partners willen wij zo’n nieuw stelsel gestalte geven.’ Het kabinet spreekt daarbij van: ‘een vernieuwing die de kwetsbaarheden in het huidige pensioenstelsel adresseert en waarmee de sterke elementen (verplichtstelling, collectieve uitvoering, risicodeling en fiscale ondersteuning) gehandhaafd blijven.’

Het kabinet heeft verschillende uitgangspunten geformuleerd voor een nieuw pensioenstelsel. Samengevat stelt het kabinet voor om de doorsneepremie (gelijk premiepercentage voor alle deelnemers in het pensioenfonds op basis van wat gemiddeld per deelnemer nodig is om het pensioen te financieren) af te schaffen en over te stappen (voor alle contracten) op een individuele, voor iedereen gelijke (leeftijdsonafhankelijke), premie. Bij de overstap naar een leeftijdsonafhankelijke premie zal er een degressieve pensioenopbouw plaatsvinden (hoe ouder iemand is, hoe minder pensioen er opgebouwd kan worden). Het kabinet wil wel een adequate pensioenopbouw blijven faciliteren. Om de transitie soepel te laten verlopen wil het kabinet de fiscale kaders voor pensioenopbouw tijdelijk verruimen, zodat werknemers niet een pensioengat oplopen door deze transitie.

In onderstaande figuur wordt het verschil tussen de huidige wijze van pensioenopbouw en degressieve pensioenopbouw geïllustreerd. In de huidige situatie (de vlakke lijn) wordt ervan uitgegaan dat iemand bijvoorbeeld gedurende 40 jaar 1,875% van de pensioengrondslag opbouwt. Bij een pensioengrondslag van € 30.000 wordt er dan dus jaarlijks 1,875% x € 30.000 = € 562,50 aan pensioen opgebouwd. Na 40 jaar heb je dan een pensioen van € 562,50 x 40 jaar = € 22.500 bruto per jaar. Bij degressieve opbouw (de dalende lijn) werkt dit anders. Je bouwt dan meer op als je jong bent (bijvoorbeeld bijna 3% per jaar) en je bouwt minder op als je ouder bent (bijvoorbeeld bijna 1,0%).

Pensioenakkoord 5 juni 2019

Op 5 juni 2019 konden kabinet en SER dan toch een pensioenakkoord presenteren. Op hoofdlijnen is onderstaande afgesproken:

  • Verhoging AOW-leeftijd gematigd (1e pijler pensioen)

Het is de bedoeling om de AOW-leeftijd de komende twee jaar (2020 en 2021) te bevriezen op 66 jaar en 4 maanden. Daarna stijgt de AOW-leeftijd naar 66 jaar en 7 maanden in 2022, naar 66 jaar en 10 maanden in 2023 en naar 67 jaar in 2024. Vanaf 2025 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting maar niet meer 1 op 1. Voor elk jaar dat de levensverwachting stijgt, stijgt de AOW-leeftijd met 8 maanden. De AOW uitkeringsduur stijgt dan dus met vier maanden waardoor de stijging van de AOW-leeftijd wordt gematigd met vier maanden. Inmiddels is de afspraak tot temporisering van de AOW-leeftijd tot en met 2024 omgezet in wetgeving. Deze wetgeving is reeds aangenomen door het parlement en gepubliceerd in het Staatsblad. 

  • Nieuwe pensioenregeling werknemers (2e pijler pensioen)

Het kabinet wil overstappen naar een nieuwe vorm van pensioenopbouw. Alle pensioenregelingen zullen hierop aangepast moeten worden. De huidige uitkeringsovereenkomsten (middelloon- en eindloonregelingen) zijn niet meer mogelijk. De doorsneesystematiek (gemiddelde premie voor alle deelnemers) wordt afgeschaft. Er vindt dus geen overdracht (solidariteit) meer plaats van jong naar oud (dit is nu de systematiek bij bedrijfstakpensioenfondsen). Er komt in het nieuwe fiscale pensioenkader een leeftijdsonafhankelijke premie en degressieve pensioenopbouw. Dit houdt in dat er één fiscale maximale premiegrens komt, onafhankelijk van de leeftijd. Bijvoorbeeld 20% van de pensioengrondslag. Met dit bedrag kan pensioen worden ingekocht. Het geld van een jongere kan langer renderen, een jongere kan dus meer pensioen inkopen voor hetzelfde geld in vergelijking met een oudere. Dit is de degressieve opbouw. Als je jonger bent kun je meer pensioen opbouwen dan als je ouder bent. Het huidige pensioenstelsel moet hiervoor dus flink op de schop en dit brengt overgangsperikelen met zich mee. Werkgevers worden verplicht om een transitieplan op te (laten) stellen hoe de overgang naar een nieuwe pensioenregeling en compensatie worden vormgegeven. Het zal wettelijk worden geregeld dat dit transitieplan moet worden afgestemd met werknemersvertegenwoordigers. Daarnaast is voor het overeenkomen van een nieuwe pensioenregeling het akkoord nodig van werknemersvertegenwoordigers. Dit is alles bij elkaar een pittige klus die veel energie gaat vragen van pensioenuitvoerders, werkgevers en werknemers. Over de arbeidsvoorwaarde pensioen zal opnieuw moeten worden onderhandeld inclusief het overgangsvraagstuk en de daarbij behorende compensatie voor groepen werknemers die negatief worden geraakt door deze overgang.

De planning is dat het kabinet per 2022 het nieuwe wettelijke kader hiervoor gereed heeft. Er zal daarvoor nog wel flink wat water door de Rijn moeten. Zo zal er bijvoorbeeld een nadere detailuitwerking moeten komen van de nieuwe pensioencontracten. De SER stelt twee contracten voor:

(1) de bestaande mogelijkheden van de Wet verbeterde premieregeling verder uitbreiden zodat ook pensioenfondsen hiervan gebruik kunnen maken en

(2) een nieuw contract, ook gebaseerd op een premieregeling, maar waarin in de opbouwfase al sprake is van risicodeling en de inkoop van pensioenaanspraken. In beide typen pensioenregeling zal de pensioenuitkering meebewegen afhankelijk van de financiële situatie van de pensioenuitvoerder (variabele pensioenuitkering). Hiermee wordt dus afgestapt van de huidige nominale zekerheid (vaste pensioenuitkering). Dit vraagt dus goede pensioencommunicatie richting de deelnemer. Ook de mogelijkheid om bestaande pensioenen te converteren naar de nieuwe situatie zal de nodige voeten in de aarde hebben. De parameters waartegen bestaande pensioenen worden overgezet naar een nieuw contract kunnen weer leiden tot veel discussie waarbij ook gekeken zal moeten worden naar compensatie voor groepen werknemers die negatief worden geraakt door de overgang naar een nieuwe pensioenregeling. Daarnaast wil het kabinet de verplichtstelling, de verplichte deelneming in (bedrijfstak)pensioenfondsen, overeind houden. Om die verplichtstelling overeind te kunnen houden en geen inbreuk te hebben op het Europese mededingingsrecht is het kabinet in gesprek met de Europese Commissie. De uitkomsten hiervan zullen meegenomen worden in het nieuwe pensioenkader. Er moet dus nog veel gebeuren en er is nog veel wat alleen op hoofdlijnen bekend is wat betreft het 2e pijler pensioen. Het kabinet stelt een stuurgroep in met vertegenwoordigers van sociale partners en het kabinet om zich te buigen over de uitwerkingsvragen van het principeakkoord. Ook de input van pensioenuitvoerders en deskundigen zal hierbij gevraagd worden. In het najaar van 2019 wil het kabinet de Kamer informeren over de stand van zaken.

  • Geen korting pensioen bij een dekkingsgraad van 100%

In het nieuw voorgestelde pensioencontract wordt sneller gekort maar ook sneller geïndexeerd. Als uitgangspunt daarvoor geldt een dekkingsgraad van 100%. Voor elke euro toegezegd pensioen moet dus een dekking van zijn 100% en niet meer van circa 105%. Het kabinet wil rust creëren op de pensioenmarkt en wil daarom vooruitlopend op het hele nieuwe pensioenkader al toestaan dat pensioenfondsen niet hoeven te korten bij een dekkingsgraad van 100%. Inmiddels zijn de rentes nog verder gedaald waardoor het scenario toch weer dreigt dat pensioenfondsen moeten korten.

  • Meer mogelijkheden met opgebouwd pensioenkapitaal

Elke deelnemer krijgt de mogelijkheid om op de pensioeningangsdatum 10% van het opgebouwde pensioenkapitaal op te nemen als een bedrag ineens. Inmiddels heeft minister Koolmees ook een hoofdlijnenbrief over dit onderwerp aan de Tweede Kamer gestuurd met nog wat meer juridische en fiscale achtergronden.  Daarnaast onderzoekt het kabinet de mogelijkheden voor het inzetten van de pensioenpremie ter aflossing van de hypotheek, keuze voor een groener pensioen dat duurzamer wordt belegd en de keuze uit een meer vast of variabel pensioen.

  • Vervroegde pensionering en duurzame inzetbaarheid

Het kabinet wil werknemers meer handelingsperspectief geven om eerder uit te kunnen treden. Zeker voor werknemers in zware beroepen is dit wenselijk. In de huidige situatie geldt een fiscale boete als een werkgever een regeling voor vervroegde uittreding (RVU) aanbiedt aan een werknemer. In de plannen van het kabinet valt te lezen dat er een tijdelijke vrijstelling komt vanaf 2021 voor vijf jaar van deze fiscale boete als een werknemer drie jaar voor AOW-datum stopt met werken. De maximale vrijstelling is EUR 19.000 per jaar. Als de uitkering minder dan drie jaar voor de AOW-leeftijd ingaat, zal dit bedrag naar rato aangepast worden. Naast een tijdelijke vrijstelling van de fiscale RVU-boete komt er meer ruimte voor verlofsparen. De huidige 50 weken wordt uitgebreid naar 100 weken waardoor werknemers meer mogelijkheden hebben om eerder te stoppen met werken. Ook wordt onderzocht of het mogelijk is om na 45 dienstjaren uit te treden. Daarnaast wordt duurzame inzetbaarheid verder gestimuleerd. Zo komt er een fonds van 800 miljoen beschikbaar wat sociale partners kunnen aanspreken om op sectorniveau regelingen te treffen om werknemers duurzaam inzetbaar te houden. Naast deze kickstart komt er structureel budget van 10 miljoen per jaar voor een Leven Lang Ontwikkelen (LLO) beleid. De focus bij dit beleid ligt op tijdig investeren in gezondheid en up to date houden van vaardigheden en vakmanschap om zo duurzame inzetbaarheid structureel te stimuleren. 

  • Zelfstandigen: pensioenopbouw en arbeidsongeschiktheid

Er komt een wettelijke verzekeringsplicht voor zelfstandigen voor arbeidsongeschiktheid. Wie dat uit moet voeren is nog niet bekend. Daarnaast wil het kabinet meer mogelijkheden geven aan zelfstandigen om op vrijwillige basis pensioen op te bouwen bij het pensioenfonds waar de zzp-er voorheen deelnemer was. Ook wordt de fiscale ruimte voor pensioenopbouw in de tweede en derde pijler gelijk getrokken wat zelfstandigen meer mogelijkheden geeft.

Visie RMU op hervorming pensioenstelsel

De RMU vindt een adequate en welvaartsvaste inkomensvoorziening bij ouderdom,  arbeidsongeschiktheid en voor nabestaanden van essentieel belang voor zowel de werknemer als de ZZP’er. Daarbij dient er specifiek aandacht te zijn voor zware beroepen. De RMU pleit voor het volgende:

  • AOW-leeftijd in balans  

De steeds verdere verhoging van de AOW-leeftijd leidt tot veel maatschappelijke onvrede, zeker bij werknemers in zware beroepen. De RMU herkent deze problemen ook bij haar eigen achterban en wil hier graag een oplossing voor. De RMU is dan ook voorstander van een systeem waarbij de stijging van de levensverwachting evenwichtig wordt verdeeld over langer werken en een verhoging van de AOW-leeftijd. De huidige 1-op-1 stijging van de AOW-leeftijd gaat te snel en leidt steeds meer tot een disbalans tussen de werkzame periode en de AOW-periode. De RMU vindt de stap die gezet is met het pensioenakkoord – bij een stijging van de levensverwachting met 1 jaar wordt de AOW-leeftijd slechts met 8 maanden (2/3 jaar) verhoogd –  dan ook een stap in de goede richting. De RMU blijft wel voorstander van een stijging van de AOW-leeftijd met 0,5 jaar bij een stijging van de levensverwachting met 1 jaar. Deze demping zorgt voor een evenwichtigere verdeling over de periode van werken en de AOW periode. Hierdoor wordt meer recht gedaan aan werknemers die de huidige stijging van de AOW-leeftijd niet kunnen bijbenen en wordt anderzijds de betaalbaarheid van de AOW in het oog gehouden. De RMU kiest hiermee voor een fundamentele herziening van de AOW-leeftijdsverhoging: koppel het aantal AOW-jaren aan het aantal werkzame jaren en houd de verhouding constant. Dit is een oplossing waarbij recht wordt gedaan aan de legitieme wensen van de werknemer om na een lang werkzaam leven te stoppen met werken en het algemene belang om de AOW-betaalbaar te houden.

  • Sectorregelingen voor zware beroepen

De RMU wil graag specifieke aandacht voor werknemers met een zwaar beroep. Het lukt helaas niet om tot een algemene regeling te komen voor mensen met een zwaar beroep. Het blijkt te lastig om in het algemeen te definiëren wat een zwaar beroep is en die groep eerder met pensioen/AOW te laten gaan. De RMU is dan ook voorstander van het op sectorniveau organiseren van regelingen voor werknemers in zware beroepen.

Op sectorniveau kunnen sociale partners zelf sector specifieke regelingen treffen voor mensen met zware beroepen. De overheid zou hiervoor fiscale mogelijkheden moeten bieden, zoals het niet van toepassing laten zijn van de RVU-boete (RVU = Regeling Vervroegde Uittreding, een RVU wordt nu fiscaal fors gesanctioneerd) op dit soort collectieve sectorregelingen en het fiscaal faciliteren van dergelijke regelingen onder voorwaarden. Qua voorwaarden valt dan te denken aan een vroegste uittreedleeftijd van 65 jaar, een maximale opbouw ter grootte van een AOW-overbrugging plus het reguliere pensioen en 100% premiebetaling door de werkgever. Een 100% premiebetaling door de werkgever borgt dat deze regelingen te makkelijk een algemeen karakter krijgen en ook gaan gelden voor werknemers in niet zware beroepen. Eigenlijk dus een soort uitbreiding van het al bestaande deelnemingsjarenpensioen waarbij het criterium dus niet moet zijn het aantal deelnemingsjaren maar de vrijheid om op sectorniveau voor zware beroepen afspraken te kunnen maken, eventueel in overleg met de Belastingdienst.

De RMU is overigens positief over de tijdelijke RVU maatregel uit het principeakkoord en de voorstellen voor duurzame inzetbaarheid maar zou ook graag meer specifiek voor zware beroepen een structurele oplossing willen door het voor die groep mogelijk te maken om eerder te kunnen stoppen met werken.   

  • Van collectieve pensioenpotten naar individuele pensioenpotten

De RMU hecht aan collectiviteit, solidariteit en verplichtstelling als de essentie van het Nederlandse pensioenstelsel. Dat neemt niet weg dat het huidige stelsel toe is aan een flinke update. De aanhoudend lage rente en toenemende levensverwachting hebben gezorgd voor flinke druk op de (boekhoudkundige) betaalbaarheid van de pensioenen enerzijds. Terwijl er anderzijds zeer veel pensioengeld is gespaard en de pensioenfondsen nog nooit zoveel geld hebben gehad als heden ten dage. Voor werknemers is het belangrijk dat inzichtelijk is welk pensioen ongeveer wordt ontvangen vanaf pensioendatum en dat het pensioen welvaartsvast wordt gehouden. Door af te stappen van nominale zekerheid (een zeker en vast pensioen) en naar een redelijk zekere uitkomst te gaan (een pensioen wat enigszins kan fluctueren) ontstaat er meer ruimte voor indexatie. De RMU onderschrijft dan ook de lijn van het kabinet om te komen tot een meer individueel pensioenstelsel gebaseerd op een premieregeling, waarbij degressief wordt opgebouwd, met collectieve risicodeling. Het overstappen naar een meer individueel pensioenstelsel heeft als belangrijk voordeel dat de waarde van de pensioenopbouw beter correspondeert met de ingelegde premies. Er is dan dus niet langer meer sprake van premieoverheveling van jong naar oud. De RMU pleit nog wel voor een herziening van welke methode gehanteerd moet worden voor de waardering van pensioenverplichtingen in een nieuw stelsel. De huidige parameters lijken – ook naar maatschappelijke opvattingen – geen recht te doen aan de rendementen die de fondsen maken en een stelsel op basis van kapitaaldekking onmogelijk te maken. Daarnaast is het bij de transitie naar een nieuw stelsel van belang dat de transitie-effecten zeer goed in kaart worden gebracht en waar nodig worden gecorrigeerd. Het samenvoegen, in een nieuw stelsel, van de tweede en derde pijler kan daarbij een goede mogelijkheid zijn om ook ZZP’ers de mogelijkheid te bieden een adequaat pensioen op te bouwen. De huidige derde pijler biedt ZZP’ers onvoldoende fiscale ruimte om te werken aan adequate pensioenopbouw. Expliciet wil de RMU het uiteenlopen van de fiscale pensioenrichtleeftijd en de AOW-leeftijd onder de aandacht brengen. Dit is verwarrend en onlogisch. Deze twee dienen wat de RMU betreft gelijk te zijn en gelijke trend aan te houden wat betreft verhogingen. Tot slot pleit de RMU, in aanloop naar een nieuw pensioenstelsel, voor het tijdelijk schrappen van de kortingen op pensioenen bij pensioenfonden, ook bij een dekkingsgraad onder de 100%. Dit zorgt voorlopig voor wat rust die nodig is om te werken aan een nieuw pensioenstelsel. Daarnaast hebben de fondsen, afgezien van de boekhoudkundige rente waarmee gerekend moet worden, voldoende geld in kas om de pensioenen te kunnen betalen. Uiteraard is het wel van belang om deze periode te begrenzen tot 2022, de beoogde ingangsdatum van het nieuwe pensioenstelsel.

  • Hypotheek aflossen in plaats van pensioensparen

De RMU is er content mee dat het kabinet komt met de mogelijkheid van het opnemen van een lumpsum op pensioendatum en laat onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor keuzevrijheid en maatwerk bij de pensioeninleg. Hierdoor ontstaat steeds meer ruimte voor het RMU-pensioenidee uit 2011 om pensioen en hypotheek aan elkaar te verbinden. De RMU ziet met belangstelling uit naar de verdere ontwikkelingen op dit gebied.

  • Duurzaam beleggen met pensioengelden

De RMU pleit ervoor dat pensioenfondsen duurzaam beleggen. Voorwaarden zijn wel dat de risico’s beheersbaar zijn en dat het rendement voldoende aantrekkelijk blijft waarbij de RMU wel de kanttekening maakt dat rendement niet boven alles dient te gaan. In de huidige Pensioenwet is reeds verankerd dat verantwoording afgelegd dient te worden over het beleggingsbeleid. De RMU pleit voor verdergaande evaluatie en ontwikkeling op dit punt om te komen tot een breed maatschappelijk verantwoord beleggingsbeleid door pensioenfondsen. De RMU is dan ook positief over de introductie, eind 2018, van het ‘Convenant Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Beleggen Pensioenfondsen’ waaraan ruim 70 pensioenfondsen zich reeds hebben gecommitteerd. Dit convenant helpt om meer inzicht te krijgen in de internationale investeringsketen en zo zaken als mensenrechtenschendingen en milieuschade te voorkomen en aan te pakken. Gelet op het grote belegde vermogen van pensioenfondsen kan hier collectief echt een verschil worden gemaakt.

  • Adequate nabestaandenvoorziening

De RMU vindt het verzorgingskarakter van ons pensioenstelsel erg belangrijk. Daaraan moeten geen concessies worden gedaan. Bij deze gedachte hoort een partnerpensioen dat onafhankelijk is van de periode van werken en qua hoogte 50 procent van het laatste salaris bedraagt. Het ontbreken van pensioenaanspraken c.q. de gaten in de pensioenopbouw (bijvoorbeeld bij partnerpensioen op risicobasis) van werknemers, hebben negatieve ervaringen opgeleverd. De Tweede Kamerleden Pieter Omtzigt (CDA) en Eppo Bruins (ChristenUnie) hebben dit ook gesignaleerd en in de zomer van 2018 een initiatiefnota gepubliceerd over het nabestaandenpensioen. Door middel van deze nota vragen zij aandacht voor de toereikendheid van nabestaandenvoorzieningen. Inmiddels heeft het ministerie van SZW aangegeven in 2019 de Anw (Algemene nabestaandenwet) te evalueren (beleidsdoorlichting). De RMU pleit voor een eenvoudige oplossing om de nabestaandenvoorziening te verbeteren: verhoog het Anw-pensioen vanuit de overheid tot maximaal het WIA-grenssalaris (EUR 55.927 voor 2019) waarbij bijvoorbeeld niet meer dan 80% van het laatste inkomen van de overleden partner kan worden ontvangen. Ook voor zelfstandigen is dan op een relatief eenvoudige wijze een adequate nabestaandenvoorziening geregeld aangezien de Anw een volksverzekering is die ook op ZZP’ers van toepassing is. Een goede stap ter verbetering van de nabestaandenvoorziening wordt dan gezet!   


Bronnen:

  • Regeerakkoord 'Vertrouwen in de toekomst', 10 oktober 2017
  • Kamerbrief vernieuwing pensioenstelsel, 1 februari 2019
  • Initiatiefnota CDA en CU over nabestaandenpensioen, 12 juli 2018
  • Convenant Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Beleggen Pensioenfondsen, december 2018
  • Prof. dr. H.P. van Dalen, prof. dr. C.J.I.M. Henkens en dr. J.A.A. de Beer: ‘Op zoek naar een ‘verstandige’ koppeling van de AOW-leeftijd’, artikel Pensioen Magazine, april 2019
  • Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd, stb-2019-246, 5 juli 2019
  • Brief van minister Koolmees aan de Tweede Kamer, ‘Hoofdlijnenbrief mogelijk maken van opname bedrag ineens op pensioeningangsdatum’, 27 juni 2019
  • Brief van minister Koolmees aan de Tweede Kamer, ‘Kamerbrief principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel’, 5 juni 2018
  • Advies SER, ‘Naar een nieuw pensioenstelsel’, juni 2019

Volg ons op Instagram voor inspiratie tijdens je koffiepauze.

Volg ons: rmu.nu