Pensioen en AOW

Dit hoofdstuk is onderdeel van de Nota Arbeidsvoorwaardenbeleid 2018.

De pensioenregeling is kwantitatief de belangrijkste secundaire arbeidsvoorwaarde. De meeste regelingen voorzien in een inkomen vanaf de pensioendatum, een inkomen voor de partner na overlijden van de werknemer en een inkomen bij arbeidsongeschiktheid. Vanwege de lage rente en de toenemende levensverwachting worden pensioenregelingen steeds duurder. In de pensioensector is sprake van een forse vertrouwenscrisis. De houdbaarheid van het pensioenstelsel vereist dat wordt nagedacht over duurzame oplossingen die de balans tussen jong en oud in stand houden en de pensioenen betaalbaar houden.

Achtergronden

In tegenstelling tot de AOW worden pensioenregelingen gefinancierd op basis van kapitaaldekking: er wordt pensioenvermogen gevormd voor later. Schaduwzijde is dat ontwikkelingen op financiële markten sterk van invloed zijn op de ontwikkeling van het vermogen en de pensioenverplichtingen. Pensioenpremies worden voor het grootste deel door werkgevers betaald en zijn in de afgelopen jaren aanzienlijk gestegen. Overigens zijn de pensioenpremies door de versobering van het fiscale kader in 2014, 2015 en 2018 gedaald. De langjarige trend is echter wel dat de pensioenpremies steeds verder stijgen.

Regeerakkoord en nieuw pensioencontract

Op 10 oktober 2017 is het regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ van het kabinet Rutte III gepresenteerd. Het kabinet is voornemens – in overleg met sociale partners – het pensioenstelsel ingrijpend te herzien: ‘Ook in ons pensioenstelsel is een nieuwe balans nodig. We willen van abstracte aanspraken die leiden tot teleurstellingen, naar de opbouw van individueel pensioenvermogen. Elementen van collectieve risicodeling blijven daarbij verstandig en noodzakelijk. Samen met sociale partners willen wij zo’n nieuw stelsel gestalte geven.’ Het kabinet spreekt daarbij van: ‘een vernieuwing die de kwetsbaarheden in het huidige pensioenstelsel adresseert en waarmee de sterke elementen (verplichtstelling, collectieve uitvoering, risicodeling en fiscale ondersteuning) gehandhaafd blijven.’ De bedoeling was om begin 2018 op hoofdlijnen een akkoord te hebben met sociale partners zodat in 2020 het wetgevingsproces afgerond zou kunnen worden en daarna de implementatieperiode kan starten. Deze doelstelling, om begin 2018 op hoofdlijnen een akkoord te hebben, is echter niet gehaald.
Het kabinet heeft verschillende uitgangspunten geformuleerd voor een nieuw pensioenstelsel. Samengevat stelt het kabinet voor om de doorsneepremie (gelijk premiepercentage voor alle deelnemers in het pensioenfonds op basis van wat gemiddeld per deelnemer nodig is om het pensioen te financieren) af te schaffen en over te stappen (voor alle contracten) op een individuele, voor iedereen gelijke (leeftijdsonafhankelijke), premie. Bij de overstap naar een leeftijdsonafhankelijke premie zal er een degressieve pensioenopbouw plaatsvinden (hoe ouder iemand is, hoe minder pensioen er opgebouwd kan worden). Het kabinet wil wel een adequate pensioenopbouw blijven faciliteren. Om de transitie soepel te laten verlopen wil het kabinet de fiscale kaders voor pensioenopbouw tijdelijk verruimen, zodat werknemers niet een pensioengat oplopen door deze transitie.
In onderstaande figuur wordt het verschil tussen de huidige wijze van pensioenopbouw en degressieve pensioenopbouw geïllustreerd. In de huidige situatie (de vlakke lijn) wordt ervan uitgegaan dat iemand bijvoorbeeld gedurende 40 jaar 1,875% van de pensioengrondslag opbouwt. Bij een pensioengrondslag van € 30.000 wordt er dan dus jaarlijks 1,875% x € 30.000 = € 562,50 aan pensioen opgebouwd. Na 40 jaar heb je dan een pensioen van € 562,50 x 40 jaar = € 22.500 bruto per jaar. Bij degressieve opbouw (de dalende lijn) werkt dit anders. Je bouwt dan meer op als je jong bent (bijvoorbeeld bijna 3% per jaar) en je bouwt minder op als je ouder bent (bijvoorbeeld bijna 1,0%).

Het kabinet wil de voornoemde transitie uitvoeren in combinatie met het overstappen naar individuele pensioenpotten met collectieve risicodeling wat betreft overlijden en arbeidsongeschiktheid en gezamenlijke pooling van het langleven- en beleggingsrisico door middel van collectieve buffers. Sociale partners dienen hiervoor een nieuw pensioencontract te ontwikkelen. Het idee hierbij is dus over te stappen naar individuele pensioenpotjes zoals dat nu ook al is bij verzekeraars (in plaats van collectieve pensioenpotten bij pensioenfondsen waardoor de ene deelnemer meebetaalt aan het pensioen van de andere deelnemer). De risico’s van overlijden en arbeidsongeschiktheid moeten in zo’n nieuw pensioencontract collectief gedeeld blijven. Daarnaast dienen er collectieve buffers te komen waarmee onvoorziene veranderingen in de levensverwachting en schokken op de financiële markten opgevangen kunnen worden. Het nieuwe contract dient Europeesrechtelijk houdbaar te zijn, en de huidige verplichte deelname aan bedrijfstak- en beroepspensioenfondsen dient gehandhaafd te blijven.

Zoals eerder ook door de RMU bepleit komt hiermee de principiële scheiding tussen Defined Benefit (eindloon/middelloon) en Defined Contribution (beschikbare premie) steeds meer te vervallen. Uit gegevens van DNB blijkt overigens dat op dit moment nog veruit de meeste van de actieve deelnemers bij een pensioenfonds pensioen opbouwt via een middelloonregeling. Bij verzekeraars slaat dit steeds meer om naar beschikbare premieregelingen (individueel pensioenvermogen). Pensioenfondsen bedienen echter circa 75% van de markt en verzekeraar 25%. Circa 90% van de werkgevers heeft een pensioenregeling voor het personeel (al dan niet verplicht).
Andere belangrijke punten voor het kabinet zijn blijkens het regeerakkoord een adequate dekking voor het nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen en meer keuzevrijheid. Zo wil het kabinet onder andere het RMU-idee van een lumpsum op pensioendatum (het opnemen van een beperkt bedrag ineens) verder uitwerken. Ook zelfstandigen dienen zich vrijwillig te kunnen aansluiten bij pensioenfondsen. Vooralsnog is er echter geen akkoord bereikt door sociale partners over het nieuwe pensioencontract. Op 12 juni 2018 heeft minister Koolmees dan ook nog herhaald dat: ‘het kabinet wil samen met sociale partners de stap zetten naar een vernieuwd pensioenstelsel, nadat de Sociaal-Economische Raad hierover een advies heeft uitgebracht. Dat stond in het Regeerakkoord en die ambitie heeft het kabinet nog steeds. Ik zie dus met belangstelling een gedragen voorstel van de SER tegemoet’.
De tijd gaat echter wel dringen. De (beleids)dekkingsgraden (graadmeter of een pensioenfonds moet korten) van de grote pensioenfondsen herstellen maar langzaam. Wanneer de beleidsdekkingsgraad langer dan vijf jaar onder de circa 105% blijft, moet een pensioenfonds de pensioenen korten (conform de Wet aanpassing financieel toetsingskader). PME had eind juni 2018 een beleidsdekkingsgraad van 101,4%, PMT van 101,9%, PFZW van 100,6% en ABP 103,9%. De vijfjaarstermijn voor deze fondsen loopt af rond 2020. Als er dan dus geen zicht is op een transitie naar een nieuw pensioencontract kunnen miljoenen deelnemers te maken krijgen met kortingen. Dit zal het vertrouwen in de pensioensector verder schaden. Om nog maar te zwijgen over indexatie. De koopkracht van een ABP-pensioen is bijvoorbeeld al met circa 13% gedaald. Een hervorming van het pensioenstelsel wordt dan ook steeds urgenter.

Vertrouwen in pensioenfondsen fors gedaald

Kern van het huidige Nederlandse pensioenstelsel is de collectiviteit, de solidariteit en de verplichtstelling. En deze drie onderdelen staan allemaal onder druk. Binnen pensioenfondsen wordt economische waarde (her)verdeeld. Een gunstige rentevoet ten opzichte van de feitelijke marktrente bevoordeelt ouderen (een hogere dekkingsgraad maakt indexatie mogelijk), terwijl fors korten ouderen direct in hun koopkracht raakt. Gezien deze effecten van herverdeling is het cruciaal om recht te doen aan alle belanghebbenden en alle generaties. Bij fundamentele wijzigingen is het daarom van belang de effecten voor iedereen in kaart te brengen. Jongeren hebben steeds meer het gevoel dat zij eenzijdig solidair zijn met ouderen en dat de pensioenpotten leeg zullen zijn zodra zij hier een beroep op willen doen. Tegelijkertijd zijn ouderen solidair met jongeren vanwege een risicovoller beleggingsbeleid (met minder zekerheid tot gevolg). Om recht te doen aan de belangen van jongere en oudere generaties is het cruciaal om het individuele eigendomsrecht te versterken (individuele pensioenrekeningen) naast het blijven delen van de belangrijkste risico’s (overlijden, arbeidsongeschiktheid, risico’s van de financiële markten). Door de beleggingsrisico’s te blijven delen, kan er meer risico worden genomen met kans op een hoger rendement.
Zoals hiervoor aangegeven kiest het kabinet nadrukkelijk voor de overstap van de doorsneepremie naar een systeem van degressieve opbouw. Dit heeft als voordeel dat de waarde van de pensioenopbouw beter correspondeert met de ingelegde premies. Er is niet langer sprake van premieoverheveling van jong naar oud.
In de premieovereenkomst is in het nieuwe stelsel niet langer sprake van een met de leeftijd oplopende premie. Dat betekent dat ouderen qua pensioenkosten even duur worden als jongeren. Aan de huidige concurrentie op de arbeidsmarkt tussen jong en oud door de pensioenregeling wordt hiermee een eind gemaakt.
Het hete hangijzer blijft wel hoe de overgang naar een nieuw systeem moet worden gefinancierd. Het Centraal Planbureau heeft eerder uitgerekend dat de afschaffing van de doorsneepremie zonder compenserende maatregelen voor de huidige deelnemers tussen de 30 en 60 jaar al snel tot 10 procent minder aanvullend pensioen leidt, ter waarde van zo’n 100 miljard euro. Gezien de huidige dekkingsgraden van de pensioenfondsen is de smeerolie niet aanwezig om de overgang naar een pensioenstelsel waarin de doorsneepremie is afgeschaft, mogelijk te maken.
In juli 2016 heeft het voormalige kabinet aan de Tweede Kamer een Perspectiefnota aangeboden waarin de hoofdlijnen voor een toekomstig pensioenstelsel verder worden uitgewerkt. In de Perspectiefnota wordt voorgesteld de overgangsproblematiek op te lossen langs twee lijnen:

  1. De zwaarst getroffen groepen ontvangen extra pensioenopbouw. Deze wordt gefinancierd via een opslag op de premie. Dat wordt onder meer betaald uit de vrijvallende premies uit het VPL-overgangsrecht.
  2. De overheid geeft gedurende de overgangsperiode extra fiscale ruimte om de extra opbouw te bekostigen. Naar schatting levert de overheid daarmee een bijdrage van 40 miljard euro aan de overgangsproblematiek. Het kabinet heeft inmiddels in het regeerakkoord aangegeven deze fiscale ruimte ook te willen geven mits dit geen effect heeft op de lange termijn houdbaarheid van de overheidsfinanciën.

Een nadeel van degressieve opbouw is wel dat werknemers die later in het arbeidsproces (her)intreden, minder pensioen opbouwen. Dat zou in het nadeel van vrouwen kunnen zijn.

Keuzevrijheid

Zoals hierboven ook aangegeven hecht het kabinet aan een bepaalde mate van keuzevrijheid. Het kabinet zal onderzoeken of en hoe het in het vernieuwde stelsel mogelijk is om een beperkt deel van het pensioenvermogen op te nemen als bedrag ineens bij pensionering.
In de hiervoor reeds aangehaalde Perspectiefnota worden geen inhoudelijke keuzes gemaakt voor de invulling van de keuzevrijheid. Het kabinet heeft wel verschillende vormen hiervoor onderzocht.

  • Beperken van de inleg van premie tijdens de werkende fase

Uit de analyse blijkt dat een levenslange beperking van de premie-inleg leidt tot een verruiming van het inkomen tijdens de werkende fase die (veel) kleiner is dan de daling van het inkomen tijdens de gepensioneerde fase. Als alternatief wordt overwogen een tijdelijke premiestop van bijvoorbeeld 5 jaar, waarmee vooral jongeren in de opstartfase van hun leven geholpen zijn.

  • Opname van een bedrag ineens tijdens de werkende fase en de pensioenfase

Bij deze optie worden allerlei nadelen genoemd, zoals de afname van de inkomensbescherming tot de mogelijkheid van belastingontwijking. Meest aantrekkelijk komt de optie naar voren om dit slechts een beperkte periode rond pensionering mogelijk te maken.

  • Koppeling van beperking van premie-inleg of opname van een bedrag ineens aan een bestedingsdoel, met name wonen

Tegenover een lager pensioen staan naar verwachting lagere woonlasten. Een risico is dat dit zal leiden tot stijging van de huizenprijzen. De vraag is alleen hoe zwaar dit weegt ten opzichte van andere factoren die de huizenprijzen bepalen. Ook leidt deze variant tot hogere uitvoeringskosten.

  • Maatwerk en keuzevrijheid bij beleggen

Meer maatwerk mogelijk maken door meer keuzevrijheid te bieden. Zo moeten jongeren de keuze hebben om risicovoller te beleggen (met kans op hogere rendementen) en ouderen de keuze om minder risicovol te beleggen (met meer zekerheid). Een keuze die hierbij ook geboden zou moet worden is de keuze voor de aard van de beleggingen, bijvoorbeeld de keuze om groen te beleggen. Kanttekening die hierbij wel gemaakt moet worden is dat bij een volledige keuzevrijheid de risico’s groter worden. Pensioendeelnemers kunnen dan verkeerde keuzes maken en zijn hier dan minder goed tegen beschermd dan bij een beperkte keuzevrijheid. Goede begeleiding bij het maken van beleggingskeuzes is dan ook van belang.

Beleggingsbeleid

Pensioenfondsen hebben de verantwoordelijkheid om te beleggen volgens de prudent-person-regel, dus vermogen dient zo goed mogelijk te worden belegd. Het spreekt voor zich dat in beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met de ESG-criteria (duurzaam, sociaal verantwoord en met good governance). Daarnaast zijn pensioenfondsen en verzekeraars institutionele beleggers die invloed kunnen uitoefenen op het investeringsklimaat. Het totaal belegde vermogen van pensioenfondsen van ruim 1.000 miljard euro is te groot om überhaupt alleen in Nederland te beleggen. En alleen beleggen in (relatief) veilige staatsobligaties is niet voldoende. De economie heeft investeringen nodig en risico’s kunnen niet worden uitgesloten. Steeds vaker wordt door het kabinet en het parlement aan de pensioenfondsen gevraagd om meer in Nederland te beleggen. Dat geldt voor het beleggen in MKB-financieringen, het beleggen in hypotheken en het beleggen in infrastructuur.

Eisen aan besturen pensioenfonds

Toezichthouder en wetgever eisen terecht dat pensioenfondsen meer in control zijn. De eisen aan deskundigheid van bestuurders zijn de afgelopen jaren al opgeschroefd. Gezien het belegd vermogen is het logisch om pensioenfondsen te behandelen als financiële instellingen, maar tegelijkertijd blijft pensioen een cruciale arbeidsvoorwaarde. Tegen die achtergrond is essentieel dat het stakeholdermodel (fondsen zonder winstoogmerk) niet vervangen wordt door een shareholder model (financiële instelling met winstdoelstelling).

Stijgende AOW- en pensioenleeftijd

De levensverwachting stijgt nog steeds meer dan verwacht. Als gevolg hiervan stijgt de AOW-leeftijd en pensioenleeftijd steeds verder. Zo is de pensioenrichtleeftijd waarmee vanaf 2018 wordt gerekend 68 jaar, ook de AOW-leeftijd stijgt steeds verder (67 jaar en 3 maanden vanaf 2022). Veel werknemers verkeren in de veronderstelling dat de AOW- en pensioenleeftijd is gestegen naar 67 jaar en hebben niet op het netvlies staan dat beide leeftijden (pensioenrichtleeftijd en de AOW-leeftijd) verder worden verhoogd naarmate de levensverwachting verder stijgt.
In toenemende mate ontstaat er maatschappelijke discussie over de wenselijkheid van de alsmaar stijgende AOW- en pensioenleeftijd. Bedrijfsartsen hebben zich hierover kritisch uitgelaten, verschillende politieke partijen willen weer terug naar een AOW-leeftijd van 65 jaar. Veel laagopgeleiden werkzaam in zware beroepen (zwaar lichamelijk werk, nachtdiensten, ploegendiensten) halen vaak 65 jaar als pensioenleeftijd niet eens, laat staan een pensioenleeftijd van 68 jaar.
Bij de stijgende levensverwachting wordt vaak ingezoomd op de verschillen in levensverwachting tussen mannen en vrouwen (circa 3 jaar), maar het verschil in levensverwachting tussen laag- en hoogopgeleiden is veel groter (circa 6 jaar). De levensverwachting van mensen uit verschillende zware beroepsgroepen blijft achter op de gemiddelde levensverwachting. Ook werken laagopgeleiden die in de zware beroepen werken momenteel langer door dan hoogopgeleiden. Vaak hebben degenen die in zware beroepen werken niet de mogelijkheid om eerder dan de AOW-leeftijd met pensioen te gaan. De RMU maakt zich zorgen om mensen in zware beroepen, die de stijgende pensioenleeftijd (lichamelijk of mentaal) niet kunnen bijbenen. Om langer in het arbeidsproces te kunnen blijven is het beter te kijken naar het aantal gezonde levensjaren. Gemiddeld beginnen gezondheidsklachten bij mensen met een zwaar beroep rond hun 53e levensjaar, tegenover het 72e levensjaar voor mensen die minder zwaar belast worden.
De AOW is momenteel een volksverzekering waarbij de hoogte afhankelijk is van burgerlijke staat en de verzekerde tijdvakken (aantal jaren in Nederland gewoond). Wanneer de levensverwachting stijgt en de AOW-leeftijd niet opschuift, nemen de AOW-lasten steeds verder toe.

Welke alternatieven zijn er voor het huidige systeem?

  • De AOW-leeftijd koppelen aan het aantal gewerkte jaren

Gerekend met een leeftijd vanaf 15 jaar zou als toets 50 jaar werken kunnen zijn. In dat geval is de AOW-leeftijd 65 jaar met een staffel van gewerkte jaren die de AOW-leeftijd verder beïnvloed.
Hiermee wordt recht gedaan aan lager opgeleide werknemers die vaak al vroeg begonnen zijn met werken en waarvan de levensverwachting vaak heel wat jaren lager ligt dan voor hoger opgeleide werknemers.
Hier tegenover staat dat de lagere levensverwachting van lager opgeleide werknemers vaak ook wordt veroorzaakt door een meer ongezonde levensstijl. Een lagere AOW-leeftijd zou als een beloning van deze ongezonde levensstijl kunnen worden gezien. Daarnaast ontstaat er een probleem voor hen die altijd in Nederland hebben gewoond, maar geen betaalde arbeid hebben verricht (kostwinnersgezinnen of mantelzorgers). Ook is deze optie in de praktijk lastig uitvoerbaar omdat er momenteel geen complete registratie beschikbaar is van het aantal gewerkte jaren. Ook het aantal gewerkte jaren door zelfstandigen is lastig in kaart te brengen. Naar de toekomst toe zou dit uiteraard wel gedaan kunnen worden.

  • De AOW-leeftijd flexibiliseren

Een flexibele AOW-leeftijd, waarbij men de AOW tot twee jaar eerder of tot vijf jaar later kan laten ingaan ten opzichte van de op dat moment geldende AOW-leeftijd. Bij een eerdere AOW-leeftijd wordt de hoogte van de AOW-uitkering actuarieel gekort, bij een latere AOW-leeftijd wordt die actuarieel verhoogd.
Het voordeel hiervan is dat werknemers het eerder uittreden zelf in de hand hebben door zelf te bepalen wanneer zij willen uittreden. Het nadeel is dat de verlaging van de AOW-uitkering kan leiden tot een uitkering onder het sociaal minimum (waardoor de bijstandslasten gaan stijgen). Het risico is groot dat juist hoger opgeleiden met hogere inkomens hiervan gebruik maken.

  • Een vast aantal uitkeringsjaren

De levensverwachting van 65-jarigen is gemiddeld bijna 20 jaar. Een idee is dat iedere Nederlander recht heeft op een vast aantal uitkeringsjaren voor de AOW. Het voordeel hiervan is dat iedereen zelf kan bepalen wanneer de AOW-leeftijd ingaat en hoe deze flexibel wordt ingezet over de periode van pensioneren. Een belangrijk nadeel is dat geen sprake meer is van een levenslange uitkering, hiermee wordt het verzekeringskarakter van de AOW aangetast. Vanaf een bepaalde leeftijd worden gepensioneerden immers afhankelijk van een bijstandsuitkering.

  • Constante verhouding tussen AOW- en werkzame jaren

De hoogleraren Harry van Dalen, Joop de Beer en Kène Henkens hebben voorgesteld de huidige verhouding tussen het aantal AOW-jaren en het aantal werkzame jaren constant te maken. Het gevolg hiervan is dat een toename in de levensverwachting niet alleen de arbeidsloopbaan, ook niet alleen de AOW/pensioenperiode, maar beide periodes in een evenwichtige verhouding verlengt.
Voor de wetswijziging van 2012 was de AOW-leeftijd constant – 65 jaar – en kwam iedere toename van de levensverwachting volledig ten goede aan een toename van het aantal AOW-jaren. Met het huidige principe – het aantal AOW-jaren blijft constant – is het kabinet vervallen in het andere uiterste: de AOW-leeftijd neemt even snel toe als de levensverwachting op 65-jarige leeftijd, waarbij de winst volledig ten goede komt aan een verlenging van de arbeidsloopbaan. Beide posities zijn op lange termijn onhoudbaar. De constante AOW-leeftijd van 65 jaar – zoals dat voor 2012 het geval was – is onhoudbaar omdat de betaalbaarheid in het geding komt. De huidige situatie, de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting, is eveneens onhoudbaar omdat het een disproportionele doorwerklast neerlegt bij de werkende generaties van nu en in de toekomst. Breng dus een meer evenwichtige koppeling aan tussen levensverwachting en AOW-leeftijd. Concreet betekent dit dat wanneer de levensverwachting met een jaar toeneemt, dit jaar evenwichtig verdeeld wordt over langer werken en langer AOW/pensioen.
De formule (V = (L – 18,26) – (P – 65)) uit artikel 7a lid 2 Algemene ouderdomswet zou daarvoor aangepast moeten worden. In de formule wordt nu uitgegaan van een AOW periode van 18,26 jaar. Dit getal zou variabel gemaakt moeten worden en mee moeten stijgen met de levensverwachting. De huidige demping van een maximale stijging van de AOW-leeftijd met drie maanden per jaar en de drempel van 0,25 is onvoldoende en leidt steeds meer tot een disbalans tussen de werkzame periode en de AOW-periode.
Uit berekeningen van het NIDI blijkt dan ook dat de AOW-leeftijd veel gematigder stijgt als er een meer evenwichtige koppeling wordt aangebracht tussen de stijging van de levensverwachting en de AOW-leeftijd. Om een voorbeeld te geven: voor mensen die in 1975 zijn geboren zou de AOW-leeftijd dan uitkomen op 68 jaar in plaats van 70 jaar, als de huidige wet wordt gevolgd. Natuurlijk zal het uitgangspunt van een constante verhouding werk/pensioen financiële consequenties hebben, maar die zullen beperkt zijn. Het aantal AOW'ers zal in 2060 3,8 miljoen zijn in plaats van de 3,5 miljoen die nu verwacht worden. Ter vergelijking: als de regering de AOW-leeftijd op 65 had gehouden zou Nederland in 2060 4,8 miljoen AOW'ers tellen.

Visie RMU op hervorming pensioenstelsel

De RMU vindt een constante verhouding tussen AOW en werkzame jaren een interessant uitgangspunt en is daarom voorstander van een systeem waarbij de verhoging van de levensverwachting evenwichtig wordt verdeeld over langer werken en verhoging van de pensioenleeftijd.

Het huidige stelsel verliest meer en meer draagvlak in de samenleving en wordt onbetaalbaar. De RMU meent dat de lasten eerlijk verdeeld moeten worden over de generaties.

  • De RMU hecht aan collectiviteit, solidariteit en verplichtstelling als de essentie van het Nederlandse pensioenstelsel. Dat laat onverlet dat het niveau van collectiviteit en verplichtstelling nader verkend moet worden. Het stelsel is toe aan een herijking van de verhouding tussen collectief en individueel, verplicht en vrijwillig.
  • De RMU is er content mee dat het kabinet ook pleit voor meer keuzevrijheid en maatwerk bij de pensioeninleg, naast meer keuzevrijheid in de uitkeringsfase. Hierdoor ontstaat steeds meer ruimte voor het RMU-pensioenidee om pensioen en hypotheek aan elkaar te verbinden.
  • In dit verband is het ook essentieel, dat Rutte III, althans in het regeerakkoord, heeft gekozen voor de overstap, uiterlijk in 2020, van de doorsneepremie (jong en oud betalen dezelfde premie voor een gelijke pensioenopbouw, terwijl de premie van de jongeren lager zou kunnen zijn omdat die euro’s veel langer renderen) naar een systeem van degressieve opbouw (premie voor iedereen gelijk, pensioenopbouw wordt voor jongeren hoger en voor ouderen lager). Dit heeft als belangrijk voordeel dat de waarde van de pensioenopbouw beter correspondeert met de ingelegde premies. Er is dan niet langer meer sprake van premieoverheveling van jong naar oud. De doorsneepremie gold ook als één van de belangrijkste obstakels bij het beantwoorden van de vraag of pensioengelden ook voor andere doelen ingezet kan worden, zoals de extra aflossing van de hypotheek.
  • Gezien de forse versobering van de pensioenregelingen in de afgelopen 10 jaar in combinatie met het onzekerder worden van het pensioenresultaat dient het huidige fiscale kader de komende jaren niet meer te worden aangepast. De RMU is tegen een wijziging van het maximum van het pensioengevend loon, dat thans € 105.075,- bedraagt (boven dit bedrag mag niet, fiscaal vriendelijk, pensioen worden opgebouwd).
  • De RMU pleit ervoor dat pensioenfondsen meer in Nederland gaan beleggen, zoals in infrastructuur. Voorwaarde is wel dat de risico’s beheersbaar zijn en dat het rendement aantrekkelijk is.
  • Een versterking van pensioenfondsbesturen met externe deskundigen is essentieel om de kwaliteit te waarborgen. Daarnaast vindt de RMU het echter wel belangrijk pensioenfondsen niet alleen als financiële instellingen te zien. In besturen van pensioenfondsen moet ook nadrukkelijk ruimte blijven voor vertegenwoordigers van werknemers en van jongeren die willen participeren in pensioenfondsbesturen.

Visie RMU op AOW-leeftijdsverhoging

De RMU kiest voor een fundamentele herziening van de AOW-leeftijdsverhoging: koppel het aantal AOW-jaren aan het aantal werkzame jaren en houd de verhouding constant. Dit is een tussenoplossing waarbij recht wordt gedaan aan de legitieme wensen van de werknemer om na een lang werkzaam leven te stoppen met werken en het algemene belang om de AOW-betaalbaar te houden. Bovendien komt deze oplossing tegemoet aan mensen met zware beroepen, omdat zij hierdoor eerder met pensioen kunnen. Tot slot roept de RMU de overheid en sociale partners op om een betere invulling te geven aan het begrip ‘zware beroepen’ en oog te hebben voor de gevolgen van langer doorwerken voor mensen met zware beroepen.

Verzorgingsgedachte

De RMU vindt het verzorgingskarakter van ons pensioenstelsel erg belangrijk. Daaraan moeten geen concessies worden gedaan. Bij deze gedachte hoort een partnerpensioen dat onafhankelijk is van de periode van werken en qua hoogte 50 procent van het laatste salaris bedraagt. Het ontbreken van pensioenaanspraken cq. de gaten in de pensioenopbouw (bijvoorbeeld bij partnerpensioen op risicobasis) van werknemers, hebben negatieve ervaringen opgeleverd. De Tweede Kamerleden Pieter Omtzigt (CDA) en Eppo Bruins (ChristenUnie) hebben dit ook gesignaleerd en in de zomer van 2018 een initiatiefnota gepubliceerd over het nabestaandenpensioen. Door middel van deze nota vragen zij aandacht voor de toereikendheid van nabestaandenvoorzieningen. Inmiddels heeft het ministerie van SZW aangegeven in 2019 de Anw (Algemene nabestaandenwet) te evalueren (beleidsdoorlichting). De RMU pleit voor een eenvoudige oplossing om de nabestaandenvoorziening te verbeteren: verhoog het Anw-pensioen vanuit de overheid tot het WIA-grenssalaris. Ook voor zelfstandigen is dan op een relatief eenvoudige wijze een adequate nabestaandenvoorziening geregeld aangezien de Anw een volksverzekering is die ook op ZZP’ers van toepassing is. Een eerste goede stap ter verbetering van de nabestaandenvoorziening wordt dan gezet.

Delen