Trends in economie & arbeidsmarkt

Dit is onderdeel van de RMU-nota Arbeidsvoorwaardenbeleid 2020.

De groei van de Nederlandse economie zwakt verder af door de ontwikkelingen uit het buitenland waarmee een omslagpunt lijkt bereikt. De stijging van de werkgelegenheid in werkzame personen heeft in 2019 zijn hoogtepunt bereikt. Toch zien de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt er nog positief uit want de krapte in sommige bedrijfstakken zal naar verwachting ook in 2020 blijven en tot hogere lonen leiden. Door het afzwakken van de economische groei neemt de werkgelegenheidsgroei af en doordat het arbeidsaanbod stijgt zal de werkloosheid niet langer dalen. De werkloosheid van de beroepsbevolking was 3,8 procent in 2018, 3,4 procent in 2019 en stijgt naar verwachting licht naar 3,5 procent in 2020. Hoewel mensen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie nog steeds moeilijk of niet aan de slag komen, daalde de langdurige werkloosheid sinds het hoogtepunt in 2015 van 259.000 naar 75.000 personen in het tweede kwartaal van 2019. De licht stijgende werkloosheid zal mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt waarschijnlijk harder raken dan de rest van de beroepsbevolking.

Achtergronden

Economische groei en risicofactoren
In de Macro Economische Verkenning 2020 (september 2019) meldt het Centraal Planbureau (CPB) dat de mondiale economie afzwakt door toegenomen onzekerheid als gevolg van handelsspanningen. De groei van het wereldhandelsvolume van goederen en diensten was na een piek in 2017 van 5,1 procent in 2018 gedaald naar 3,2 procent en blijft in 2020 met 1,9 procent naar verwachting op hetzelfde niveau als 2019. Hiermee lijkt de trend een wat kleinere stabiele groei te zijn. De werkloosheid in de hoogontwikkelde economieën is inmiddels weer terug op het niveau van voor de crisis, de overheidstekorten nemen af en er staan minder slechte leningen op de balansen van de financiële instellingen.

Eén van de risicofactoren die kunnen zorgen voor een drukkend effect op de groei van de wereldeconomie is het centrale handelsconflict tussen de Verenigde staten en China. De belangrijkste risicofactoren binnen Europa zijn de Brexit, problemen in de Duitse auto-industrie en de beperkte beleidsruimte van de Europese Centrale Bank om terugval van de economische groei in de eurozone op te vangen. Tenslotte kunnen de geopolitieke spanningen als neerwaarts risico worden genoemd, in het bijzonder als het gaat om de spanningen tussen de Verenigde Staten en Iran en het beleid van de Italiaanse regering.

Halfjaarlijks World Economic Outlook
Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) stelde in juli 2019 dat de wereldwijde groei van de economie in 2019 3,2 procent en in 2020 3,5 procent zal bedragen, maar deze percentages zijn al meerdere malen naar beneden bijgesteld.  Omdat huishoudens en bedrijven hun uitgaven op lange termijn blijven beperken is de vraag naar duurzame consumptiegoederen in zowel geavanceerde als opkomende markteconomieën gematigd.  De verwachte groei voor 2020 is onzeker en gaat uit van stabilisatie van een gespannen markt en opkomende economieën en vooruitgang bij het oplossen van verschillen in handelsbeleid.
Het IMF dringt er op aan om onzekerheid rond handelsovereenkomsten zoals tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie en de vrijhandelszone die Canada, Mexico en de Verenigde Staten zijn overeengekomen, snel op te lossen. Verder roept het IMF op om heffingen niet te gebruiken om doelen op bilaterale handelsbalansen te halen of als vervanging van de dialoog om anderen onder druk te zetten.

Regeerakkoord Rutte III
Het IMF maakte zich in 2017 nog zorgen over de lage loongroei, de inkomensongelijkheid en de lage inflatie, maar het derde kabinet-Rutte heeft daarvoor een oplossing gevonden, meent het CPB in haar notitie ‘Analyse economische en budgettaire effecten van de financiële bijlage van het regeerakkoord (4 oktober 2017): de contractlonen stijgen de komende vier jaar niet met 2,3 procent, maar met 3,1 procent. De inkomensongelijkheid neemt niet met 2,7 procent toe, maar daalt met 0,1 procent. De inflatie is de eerstvolgende vier jaar niet 1,6 procent, maar 2,2 procent.

De plannen van Rutte III moeten ervoor zorgen dat de investeringen hoger uit vallen en dat de consumptie en overheidsbestedingen toenemen. Dit lijkt uitgewerkt te raken want ten opzichte van het Europese gemiddelde groeit de Nederlandse economie alleen in 2019 nog harder dan het Europese gemiddelde en zakt hier in 2020 iets onder.

Omdat de economische groei afneemt en het vertrouwen van mensen in de toekomst verder afneemt tot iets boven het gemiddelde van afgelopen 20 jaar, is voortdurende waakzaamheid geboden.

Onderwijs
De daling van de onderwijskwaliteit zou wel een punt van zorg zijn. Nederland scoort weliswaar beter op het gebied van innovatie, maar is een plaats gezakt op het vlak van hoger onderwijs. Henk Volberda, hoogleraar aan de Erasmus University stelde in dit verband: ‘Gezien de uitdagingen van de vierde industriële revolutie en de snelle uitholling van bepaalde kennis, vaardigheden en functies door robotisering en kunstmatige intelligentie zijn meer investeringen in het Nederlands hoger onderwijs noodzakelijk’.

Overheidsfinanciën
Het begrotingstekort van Nederland ligt sinds 2013 onder de Europese grens van -3 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Het begrotingstekort was tijdens de crisisjaren opgelopen tot boven de 5 procent maar is vanaf 2016 omgeslagen in een begrotingsoverschot. Het begrotingssaldo blijft positief, waarbij het overschot zelfs iets oploopt, van 1,5 procent van het bbp in 2018 naar 1,2 procent van het bbp in 2019 en 0,3 procent van het bbp in 2020. Dit zijn grotere overschotten dan in de periode 2006-2008.

Arbeidsmarkt
Personeelstekort bij kwart van bedrijven
Hoewel de werkloosheid in 2020 licht stijgt naar 3,5 procent van de beroepsbevolking, ervaart gemiddeld een kwart van de bedrijven belemmeringen bij het uitoefenen van de bedrijfsactiviteiten door personeelstekort. De grootste knelpunten doen zich voor in de bedrijfstakken zakelijke dienstverlening, vervoer en opslag, informatie en communicatie, horeca en de bouwnijverheid. Van de bedrijven in deze sectoren heeft 25-35 procent met personeelstekort te kampen volgens een publicatie van het CBS.

Een deel van het personeelstekort zou met het gecontroleerd toelaten van arbeidsmigranten van buiten de EU kunnen worden opgelost. Europese regels bieden hier mogelijkheden voor. Maar door angst voor arbeidsmigratie zijn hierop Nederlandse uitzonderingen ontstaan en is het in de praktijk meestal onmogelijk om een arbeidsmigrant die geen kenniswerker is naar Nederland te halen. In een interview in het Financieele Dagblad van 17 juni 2019 stelt mevrouw Tesseltje de Lange, vicevoorzitter  van Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) dat het vanuit economisch oogpunt bezien goed zou zijn om het arbeidsmigratiebeleid te heroverwegen. De ACVZ ziet het liefst dat er een commissie wordt opgericht die de behoefte aan arbeidsmigranten in Nederland regelmatig in kaart brengt en tekortberoepen aanwijst, net zoals in Duitsland wordt gedaan. Hierdoor zou het debat of, en zo ja, welke arbeidsmigratie nodig is goed kunnen worden gevoerd.

Mensen met een bijstandsuitkering en gedeeltelijk arbeidsongeschikten vinden echter vaak moeilijk werk. Met de ingevoerde Participatiewet wordt gepoogd deze groep mensen te helpen weer mee te doen in de samenleving. De Participatiewet voegt de voormalige Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening en een deel van de Wajong samen tot één regeling voor deze doelgroep. De Wajong is er alleen voor mensen die niet volledig en duurzaam kunnen werken. Mensen die geen recht hebben op een Wajonguitkering, kunnen naar het nieuwe Werkbedrijf.

De Wajong voorziet uitsluitend nog in een voorziening voor jonggehandicapten die nooit zullen kunnen werken. Voor mensen die helemaal niet meer kunnen werken, blijft er een sociaal vangnet in de vorm van een bijstandsuitkering.

Werkgevers zijn bereid, zoals afgesproken in het sociaal akkoord van 11 april 2013, in de periode 2015-2025 in totaal 100.000 mensen met een arbeidsbeperking aan een baan helpen. Ook is afgesproken dat de overheid in deze periode 25.000 mensen extra aan het werk helpt. Half februari 2019 ligt het bedrijfsleven met 45.000 mensen op schema, maar lukt het de overheid niet om zich aan de afspraken te houden. Omdat de doelstelling voor overheid en bedrijfsleven is samengevoegd voelt dit voor de bedrijven alsof de overheid het vooral aan hen overlaat.

Aantal vaste banen
Uit de hieronder weergegeven figuur is af te leiden dat sinds 2016 het aantal vaste banen in Nederland, voor het eerst na het uitbreken van de financiële crisis, in absolute zin weer toenam. Tijdens de financiële crisis deed zich vooral het verschijnsel voor dat het aantal vaste banen daalde. Het heeft nog tot 2018 geduurd voordat de stijging van het aantal werknemers met een flexibel arbeidscontract is afgevlakt terwijl er  in het tweede kwartaal van 2019 sprake is van een lichte stijging.

Een verklaring voor de per saldo toenemende flexibilisering van de arbeidsrelaties zouden veranderende economische omstandigheden kunnen zijn. Technologische ontwikkelingen, globalisering en toegenomen concurrentie vragen meer wendbaarheid van werkgevers en opdrachtgevers. De Nederlandse arbeidsmarkt wijkt op dit punt echter af van de ontwikkelingen in de ons omringende landen. Zo kent bijvoorbeeld Noorwegen het verschijnsel van flexkrachten totaal niet. Iedereen in dat land heeft een vast contract.

Een trend die het CBS waarneemt is dat werknemers met een vaste baan meer verdienen dan flexwerkers. Bij een vergelijkbare baan met vaste uren is het loonverschil 7 procent en bij oproepkrachten is het loonverschil 3 procent.

Knelpunten op de arbeidsmarkt
De arbeidsmarkt knelt voor werkgevers en werknemers. Veel verantwoordelijkheden voor de arbeidsrelaties zijn te eenzijdig bij werkgevers belegd, meent Rutte III in ‘Vertrouwen in de toekomst’. Wie fatsoenlijk omgaat met zijn werknemers ondervindt concurrentienadeel van bedrijven die handige constructies bedenken om lonen te drukken en risico’s af te wentelen. Vaste werknemers, flexwerkers en zzp’ers zijn onbedoeld concurrenten van elkaar geworden. Perspectief op een vaste baan is vaak ver weg. Dat geldt voor jongeren, voor ouderen en ook voor mensen met een arbeidshandicap. Te veel mensen komen er gewoon niet tussen. Het is tijd om onze arbeidsmarkt te moderniseren. De sleutel naar een eerlijker arbeidsmarkt ligt in de gelijktijdige beweging: Vast werk minder vast maken en flexwerken minder flex.
Het is de ambitie van Rutte III dat het voor werkgevers aantrekkelijker wordt om sneller een contract voor onbepaalde tijd aan te bieden wat werknemers meer zekerheid geeft. Zelfstandigen moeten de ruimte krijgen om te ondernemen, maar schijnzelfstandigheid wordt aangepakt. Daarom treedt per 01-01-2020 de Wet Arbeidsmarkt in Balans in werking en worden er stappen gezet voor uitwerking van nieuwe wetgeving voor ZZP-ers.

Werkenden delen nog onvoldoende mee in het economisch herstel. De lasten op arbeid worden daarom fors verlaagd, waardoor (meer) werken lonend(er) wordt. Maar koopkracht kan niet alleen afhankelijk zijn van lagere lasten. Er is gemiddeld genomen ruimte bij bedrijven om de lonen te laten stijgen, stelt het regeerakkoord van Rutte III onomwonden.

Visie RMU

  • Vervolgstappen in aanpak van arbeidsmarktproblematiek, modernisering pensioenstelsel en fundamenteler herziening belastingstelsel nodig;
  • Werken aan oplossingen voor knelpunten op de arbeidsmarkt;
  • Alles lijkt economie, maar economie is niet alles;
  • RMU bepleit een andere kijk op economische groei, omdat deze zowel vooruitgang als achteruitgang brengt;
  • Eenzijdig streven naar groei staat haaks op Bijbelse opdracht.

Daadkrachtige aanpak van arbeidsmarkt, pensioen- en belastingstelsel nodig
In de vorige kabinetsperioden is het niet tot een doortastende aanpak van arbeidsmarktproblemen, het belastingstelsel, de zorg en pensioenen gekomen. De RMU vindt het positief dat het kabinet Rutte III stappen heeft gezet als het gaat om hervorming van de arbeidsmarkt, maar de arbeidswet – die dateert uit de vorige eeuw – zal grondig aangepakt moeten worden om de kloof tussen vast en flex te verkleinen. Het kabinet heeft werk gemaakt van het daadkrachtig en voortvarend moderniseren van het pensioenstelsel en een fundamenteler herziening van het belastingstelsel. De RMU roept op om daadkrachtig te blijven en nu ook de vervolgstappen te zetten. Voor een uitgebreidere visie van de RMU op de positie van zelfstandigen zonder personeel, zie (link naar het hoofdstuk) en flexibilisering van de arbeidsrelaties, zie (link naar het hoofdstuk). Voor een uitgebreidere visie voor het moderniseren van het pensioenstelsel, zie (link naar het hoofdstuk) en de fundamentele herziening van het belastingstelsel, zie (link naar het hoofdstuk).

Werken aan oplossingen voor knelpunten op de arbeidsmarkt
De RMU vindt het positief dat het kabinet Rutte III ondernemers met maximaal 25 werknemers in dienst financieel tegemoet komt omdat zij evenals de grotere bedrijven twee jaar loon door moeten betalen aan een zieke werknemer. Toch zou dit volgens de RMU voor ontwijkingsgedrag van ondernemers kunnen leiden, wegens de arbitraire grens van 25 werknemers. Vanwege de toepassing van deze regeling zou het in voorkomende situaties immers niet ondenkbaar zijn dat in de uitvoeringspraktijk juridische structuren zullen gaan voorkomen waarbij per inhoudingsplichtige maximaal 25 werknemers op de loonlijst staan. Om dit te voorkomen pleit de RMU dat de werkgever maximaal zes maanden het loon van een zieke werknemer doorbetaalt en dat wanneer de werknemer langer ziek blijft, deze werknemer aanvullend maximaal achttien maanden wordt betaald uit een publiek gefinancierde basisverzekering. Zie hiertoe ook hoofdstuk 2.2 van de nota.

Dat het zogenoemde polderoverleg tussen de sociale partners (werkgevers en werknemers) over de arbeidsmarkt en het pensioenstelsel tot een gedragen plan  heeft geleid, vindt de RMU verheugend. Hierdoor worden de lasten eerlijker verdeeld over alle generaties en blijven de pensioenen ook in de toekomst betaalbaar.

Het is positief dat het kabinet de werknemerslasten op arbeid verlaagt en dat werk (meer) lonend wordt. Het is echter van belang dat niet alleen de overheid zorgt voor meer bestedingsruimte van de werknemer, maar dat ook de werkgever – waar daar ruimte voor is – de lonen laat stijgen, zie hoofdstuk (link naar hoofdstuk Loonwens en Inkomensontwikkeling).

De RMU vraagt bijzondere aandacht voor het aan het werk helpen van kwetsbare groepen zoals mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, arbeidsgehandicapten en ouderen. Dit vraagt niet zozeer om nog meer subsidies en fiscale prikkels; dit voegt weinig toe. De administratieve druk die aan subsidies kleeft, schrikt werkgevers af. Deze groepen aan het werk helpen vraagt vooral om een mentaliteitsverandering. Het paradoxale is nu dat mensen met drukke banen bijvoorbeeld (mantel)zorgtaken verrichten en schuldhulpmaatje zijn terwijl tegelijkertijd velen langs de kant staan en geen zinvolle dagbesteding en/of perspectief hebben. Dit zou opgelost kunnen worden door nieuwe banen te creëren die maatschappelijk van belang zijn maar niet economisch levensvatbaar zijn. Wat de RMU betreft zou hier meer aandacht aan besteed moeten worden.

Alles lijkt economie, maar economie is niet alles
In de Macro Economische Verkenning 2020 merkt het CPB op dat de economische groei in 2019 en 2020 wat terugvalt en dat de structurele groei van de Nederlandse economie al enkele decennia aan het dalen is. Terwijl een robuuste economische groei nodig is om publieke voorzieningen betaalbaar en om de huishoudportemonnee gevuld te houden. Daarom heeft het kabinet heeft voornemen om het verdienvermogen van Nederland op de lange termijn te versterken.

De RMU vindt het voorstel om de collectieve lastendruk te verlagen en te investeren in onderwijs een goede zaak in tijden, waarin het economisch goed gaat. Maar de RMU denkt dat het in mindere tijden beter is om te investeren in bijvoorbeeld infrastructuur om het verdienvermogen op peil te houden.

De Raad van State komt in haar Advies bij de Miljoenennota 2020 tot vergelijkbare bewoordingen, maar voegt er de dimensie brede welvaart aan toe. Hierin herkent de RMU zich, want: alles is economie, maar economie is niet alles. (NAVW 2016)

Economie en arbeidsmarkt in Bijbels perspectief
De RMU vindt de constateringen voor zowel de economie als ook de daaraan verbonden gevolgen voor de arbeidsmarkt belangrijk, maar in deze beschouwing willen we de spade nog wat dieper steken. De RMU plaatst het thema economie en arbeidsmarkt in Bijbels perspectief.

Overvloed en onbehagen zijn kenmerkend voor de Nederlandse economie. We horen nog steeds tot de rijkste landen ter wereld, maar sinds de jaren zestig zijn we er per saldo niet gelukkiger op geworden. De neoklassieke economische theorie gaat ervan uit dat de middelen die mensen tot hun beschikking hebben, altijd onvoldoende zullen zijn om al hun wensen te bevredigen. Mensen zijn onverzadigbaar. In de economische literatuur staat dit bekend als de ‘happiness paradox’ van de Amerikaanse econoom Robert Easterlin. Ook wordt wel gesproken over een ‘hedonistische tredmolen’. We hebben steeds meer economische groei en consumptiegoederen nodig om hetzelfde geluksgevoel te krijgen. ‘Denk ervan wat je wilt,’ schreef columnist Hofland in het NRC Handelsblad, ‘maar de cultuur van consumptie heeft een eroderende werking op het geloof.’

Economische groei is niet alleen een bron van welvaart en vooruitgang, maar kan ook een bron van morele en maatschappelijke achteruitgang zijn. Economische groei brengt ook ongelijkheid en tast de geopolitieke verhoudingen aan. De economische crisis toont dat in haar oorzaken en gevolgen. Zelfs binnen Nederland, dat wereldwijd bij de top hoort van landen die gelijkheid tussen mensen nastreven, leven nog altijd naar schatting ruim 700 duizend huishoudens van een inkomen rond het bestaansminimum. En wat te denken van de gevolgen voor het milieu? Al Gore trok de wereld rond met ‘an unconvenient truth’ om de milieugevolgen van ons expansief economisch handelen aan de orde te stellen. Economische groei brengt vooruitgang maar tast ook het draagvermogen van de schepping aan. Het is goed om daarbij de financiële wereld indringend in de ogen te kijken en de samenleving voortdurend bewust te blijven maken dat iedereen verantwoordelijkheid voor een gezond en leefbaar milieu draagt, temeer daar een klimaatcrisis zich lijkt aan te dienen.

Maar er is een diepere oorzaak. De cultuur van consumentisme en hedonisme heeft de moderne mens op een punt gebracht dat hij zijn ongeduld niet meer kan bedwingen. De kreet ‘I want it all, I want it now’ verwoordt het moderne levensgevoel tot in haar diepste kern. De voorbije economische crisis was er het gevolg van dat wij met elkaar alle toekomstige economische groei met een hypotheek op de toekomst naar het heden hebben willen halen. En die hypotheek breekt ons nu op. De toekomst neemt als het ware een revanche op het heden. Economische groei brengt vooruitgang en achteruitgang. De economie vormt zowel de basis als een bedreiging voor de moderne welvaartstaat. Dat komt omdat de economie is losgeweekt van haar eigen normatieve uitgangspunten. Uitgangspunten die ook terug te vinden zijn in het Bijbelse spreken over de economie, van waaruit we kunnen ontlenen dat men niet voorbij moet leven aan het goede van de schepping door een voortdurende jacht naar meer. Tegenover het moderne individualisme laat de Bijbel zien dat God ieder mens geschapen heeft in relaties. Overmatige rijkdom heeft als gevaar dat het verleidt tot een levenswijze die voorbijgaat aan het geluk van het leven in afhankelijkheid van God en in gemeenschap met de medemens, welke afhankelijkheid en gemeenschap de belangrijkste verbindingen zijn waarin een mens staat. ‘God liefhebben boven alles en de naaste als jezelf’ betekent dat je eerbied hebt voor Hem, respect toont voor je naasten en zorg draagt voor de schepping. Deze verantwoordelijkheden moeten ons handelen bepalen en niet het streven naar een zo groot mogelijke economisch groei.


Bronnen:

Delen