Waarom lonen harder moeten stijgen

Dit is onderdeel van de RMU-nota Arbeidsvoorwaardenbeleid 2020.

Steeds harder klinkt de roep om de lonen van werknemers te verhogen. Op een partijbijeenkomst in juni 2019 dreigde premier Mark Rutte zelfs om de lastenverlichting voor het bedrijfsleven af te blazen als de loonstijgingen voor de werknemers achterwege blijven.

Met deze oproep schaart Rutte zich in een lange rij van mensen die al langere tijd pleiten voor hogere lonen voor werknemers, waaronder ook de Nederlandse Bank. Langzaamaan krabbelen de lonen op, maar er kan nog een tandje bij.

In hoofdstuk 2.1 Economie en Arbeidsmarkt van deze nota kunt u meer lezen over het regeerakkoord van Rutte III, de achtergronden en ontwikkelingen van de economie. In dit hoofdstuk beperken we ons tot de koopkracht, inflatie en loonontwikkeling en wat daarmee samenhangt.

Economische groei zwakt af
De Nederlandse economie groeit, volgens het CPB in de Macro Economische Verkenning (MEV 2020) met 1,5 procent naar verwachting volgend jaar minder hard dan de voorgaande jaren. Dit is met name het gevolg van ontwikkelingen in buitenland. Vooral de binnenlandse besteding dragen de economische groei, wat resulteert in verschillen tussen de sectoren. Met name industriële bedrijven merken het meeste van de mondiale afzwakkende economie.

De werkloosheid stijgt in 2020 licht (0,2 procent) ten opzichte van 2019, maar blijft met 3,5 procent laag. De arbeidsproductiviteit van bedrijven, die in 2019 als gevolg van afzwakking van de productiegroei en aanhoudende werkgelegenheidsgroei daalde met 0,1 procent, zal naar verwachting in 2020 gaan herstellen. De groei van de werkgelegenheid neemt naar verwachting af (van 2,1 procent in 2019 naar 0,8 procent in 2020). Hierdoor zal de stijging van de arbeidsproductiviteit van bedrijven naar verwachting in 2020 uitkomen op 0,8 procent. Dit ligt nog wel onder het gemiddelde van 1,1 procent per jaar sinds 2000.

De arbeidsinkomensquote (aiq) loopt in 2019/2020 wat op. Met deze aiq wordt het inkomensaandeel van arbeid in de totale Nederlandse economie uitgedrukt. Door een oplopende loonstijging bij een gematigde toename van de arbeidsproductiviteit stijgt de aiq naar verwachting van 73,1 procent in 2018 tot 74,9 procent in 2020.

In de eerste twee kwartalen van 2019 stegen de lonen van werknemers volgens het CBS met respectievelijk 2,2 en 2,3 procent. In het derde kwartaal is de loongroei zelfs gestegen tot 2,6 procent. Echter een belangrijke kanttekening daarbij is dat in diezelfde perioden de consumentenprijzen harder stegen dan de lonen (Kwartaal 1: 2,5 procent – Kwartaal 2: 2,7 procent – Kwartaal 3: 2,7 procent). Hierdoor is de loonstijging in de praktijk nog steeds nauwelijks voelbaar.

De loongroei in 2020 zet door, maar blijft gematigd door lage groei van de arbeidsproductiviteit en de onderliggende inflatie. De verwachting van het CPB is dat de lonen in 2020 met 2,5 procent zullen stijgen. De werkgeversverenigingen VNO-NCW en AWVN schatten de loonstijging in 2020 nog hoger in met respectievelijk 3 en 3,3 procent.

Bedrijfswinsten
Dat het goed gaat met de Nederlandse economie blijkt ook uit het jaarlijks rapport Branches in Zicht 2019, van accountantsorganisatie SRA. Volgens dat rapport steeg de winst van het MKB (de motor van de Nederlandse economie) in 2018 met ruim 16 procent ten opzichte van 2017. Met name de bouw, industrie en logistiek deden het goed. Andere sectoren, zoals de detailhandel en automotive hadden het moeilijker.

Uit een publicatie van het CBS in september 2019 blijkt overigens wel dat de winsten van bedrijven in 2019 wat afzwakken. Het tweede kwartaal kwam de brutowinst voor belasting van niet-financiële bedrijven uit op 55,8 miljard, een daling van 2,3 miljard ten opzichte van het tweede kwartaal 2018.

Koopkracht
De koopkrachtplaatjes zijn altijd een belangrijk onderdeel van de Miljoenennota die het kabinet op Prinsjesdag presenteert. Ook dit jaar is dat niet anders. De verwachting is dat de gemiddelde koopkracht in 2020 stijgt met 2,1 procent. Uitgesplitst in diverse doelgroepen ontstaat het volgende beeld:

Koopkracht naar huishoudtype

 

Koopkracht naar inkomensbron

 

Tweeverdieners

+2,3 procent

Werkenden

+2,4 procent

Alleenstaanden

+1,7 procent

Uitkeringsgerechtigden

+1,2 procent

Eenverdieners

+2,2 procent

Gepensioneerden

+1,1 procent

Het voorgenomen beleid is gunstig voor gezinnen met kinderen. Zij gaan er gemiddeld 2,6 procent op vooruit, tegen 2,2 procent voor gezinnen zonder kinderen. Alleenverdieners gaan er weer iets minder op vooruit dan tweeverdieners.

Koopkracht naar inkomensgroepen (percentage van minimumloon)

 

1-20% (minder dan 115%)

+1,4 procent

21-40% (115% tot 184%)

+1,8 procent

41-60% (184% tot 268%)

+2,2 procent

61-80% (268% tot 390%)

+2,4 procent

81-100% (meer dan 390%)

+2,3 procent

Opvallend is dat de twee laagste inkomensgroepen er fors minder hard op vooruit gaan. Zij profiteren van de verhoging van de arbeidskorting en de algemene heffingskorting, maar hebben nadeel van de invoering van het tweeschijvenstelsel, waarbij de laagste schijf wordt verhoogd met 0,7 procent.

Belangrijk detail bij de koopkrachtplaatjes is dat er gerekend wordt met een bepaalde verwachte contractloonstijging. Het is goed om hier enige kanttekeningen bij te plaatsen.
In de MEV 2019 werd gerekend met een koopkrachtstijging van 1,5 procent. Hierbij werd gerekend met een contractloonstijging van 2,9 procent. Volgens de MEV 2020 zijn de resultaten voor 2019 lager dan vorig jaar verwacht. De koopkracht blijft met +1,2 procent achter, evenals de contractloonstijging met +2,5 procent.
Voor 2020 verwacht het CPB een koopkrachtstijging van 2,1 procent. Daarbij is gerekend met een contractloonstijging van 2,5 procent.

Er is ook kritiek op de wijze waarmee de politiek omgaat met de koopkrachtplaatjes van het CPB. Hoogleraar arbeidsverhoudingen Paul de Beer betuigt al jaren dat de koopkrachtcijfers alleen maar weergeven wat de statische koopkracht van mensen is van wie de persoonlijke situatie niet wijzigt. Maar in werkelijkheid is volgens hem de dynamische koopkracht veel belangrijker. Wat gebeurt er met mensen als ze hun baan kwijtraken of juist een baan vinden, kinderen krijgen, of als kinderen het huis uitgaan? Dat doet pas echt iets met de koopkracht.

Pleidooi voor hogere lonen
In de loop van 2019 is langzaam een toenemende stijging in de lonen te zien. Toch zijn er nog van diverse kanten oproepen om de lonen nog meer te laten stijgen. In juni 2019 deed premier Rutte nog een vurig pleidooi richting de bedrijven om nu echt eens over de brug te komen met die loonstijgingen. Premier Rutte: “De winst klotst tegen de plinten, maar alleen de lonen van topmannen stijgen. De cao-lonen gaan onvoldoende omhoog en dat is niet acceptabel”.

De premier dreigde zelfs met het schrappen van de voorgenomen lastenverlagingen als bedrijven niet aanzienlijke betere cao’s gaan afsluiten. In het belastingplan 2020 is dit zelfs uitgevoerd door de verlaging van de winstbelasting met een jaar uit te stellen.

Met dit pleidooi sluit de premier aan bij een lange rij van economen, hoogleraren, politici en instituten als het Internationaal Monetair Fonds, het Centraal Planbureau en de Nederlande Bank.

Brutolonen blijven achter bij de arbeidsproductiviteit
Het pleidooi voor hogere lonen voor werknemers kan nog eens worden onderstreept als gekeken wordt naar de verhouding tussen de stijging van de brutolonen en de stijging van de arbeidsproductiviteit. In het onderstaande figuur is te zien dat in de achterliggende 10 jaar een steeds groter gat is ontstaan tussen de arbeidsproductiviteit en de bruto lonen.

In een goed functionerend economisch model lopen de brutolonen in gelijke tred op met de arbeidsproductiviteit. Dit leidt ertoe dat werknemers meeprofiteren van de economische groei. In de achterliggende jaren is dit niet het geval geweest. Het is een vaak gehoorde uitspraak dat werknemers de economische groei niet in hun portemonnee voelen.
Voor een deel is het natuurlijk zo dat mensen wel degelijk de groei gemerkt hebben. Maar dat is met name zo voor de mensen die een baan hebben weten te vinden. De werkloosheid is sinds de crisis (2008) immers meer dan gehalveerd. Echter voor de mensen die al een baan hadden is de groei van de reële lonen (loongroei min inflatie) beperkt gebleven.

Oorzaken voor deze gegroeide kloof tussen de arbeidsproductiviteit en de brutolonen is enerzijds een stijging van de lasten voor de werkgevers (zoals sociale lasten en premies). Anderzijds is echter ook de loonvoet (totale loonkosten bij bedrijven) achtergebleven. Bedrijven hebben dus een hogere arbeidsproductiviteit tegen relatief lagere loonkosten.

Visie van de RMU
• Traditionele loonruimte te beperkt
• Gedifferentieerde loonwens vanaf 3,5 procent
• Jeugdlonen moeten worden afgeschaft

Traditionele loonruimte te beperkt
Gezien de kloof die ontstaan is tussen de groei van de arbeidsproductiviteit en de groei van de brutolonen in de achterliggende jaren is het niet wenselijk om bij het bepalen van de loonwens enkel uit te gaan van de ‘traditioneel’ vastgestelde loonruimte.

De traditionele loonruimte wordt berekend door de stijging van de arbeidsproductiviteit en de inflatie bij elkaar op te tellen. Voor 2019 was hierbij de verwachting dat dit zou uitkomen op 3,7 procent (1,2 procent stijging arbeidsproductiviteit en 2,5 procent inflatie). Volgens de MEV 2020 blijkt deze verwachting niet geheel uit te komen. In de huidige raming ligt de loonruimte voor 2019 op 2,5 procent (-0,1 procent stijging arbeidsproductiviteit en 2,6 procent inflatie). Met een verwachte gemiddelde loonstijging van 2,5 procent over 2019 zou daarmee de loonruimte gevuld worden. Hiermee is echter de gewenste inhaalslag nog steeds niet bereikt.

Voor 2020 zou de traditionele loonruimte naar verwachting uitkomen op slechts 2,1 procent (0,8  procent stijging arbeidsproductiviteit en 1,3 procent inflatie). Dit wordt veroorzaakt door een beperkte stijging van de arbeidsproductiviteit en een lage inflatie.

In het licht van de verwachting van het CBS in de MEV 2020 dat de lonen in 2020 ook met gemiddeld 2,5 procent stijgen zou een loonwens afgestemd om de traditionele loonruimte onder dit gemiddelde uitkomen. Dit past echter niet in het beeld en het gevoel van veel mensen dat het echt tijd wordt dat werknemers ook gaan profiteren van de economische groei. De werkgevers zelf verwachten zelfs een loongroei van meer dan 3 procent.

Loonwens
De RMU werkt niet met een looneis. In dat licht acht de RMU het daarom verantwoord om de loonwens niet louter te baseren op de traditionele loonruimte en gaat daarom uit van een gedifferentieerde loonwens vanaf 3,5 procent op jaarbasis. Met een hogere loonstijging kan het gat tussen de arbeidsproductiviteit en de brutolonen verkleind worden.

Wel moet goed gekeken worden naar de draagkracht van bedrijven/sectoren. Een verantwoorde loonstijging waarbij maatwerk uitgangspunt is, is van belang voor een gezonde ontwikkeling van de economie en de arbeidsmarkt. Is een loonstijging vanaf 3,5 procent in een onderneming of sector onverantwoord, dan moeten we realistisch zijn en de wensen durven bij te stellen.

Naast de loonwens zet de RMU zich komend jaar opnieuw in om structurele afspraken te maken over scholing, duurzame inzetbaarheid, innovatie, continuïteit en behoud van werkgelegenheid van de onderneming.

Jeugdlonen moeten worden afgeschaft
Een ieder die werkt heeft recht op het wettelijk minimumloon. Toch geldt er voor jongeren een veel lager minimumjeugdloon. Een 18-jarige kreeg 45 procent van het loon van een 22-jarige, wanneer ze beiden precies hetzelfde werk doen. Dit verschil is ook terug te zien in cao’s waarin jeugdschalen zijn opgenomen. De RMU pleit ervoor om de (minimum) jeugdlonen af te schaffen.

De RMU is positief gestemd over het feit dat de kabinetten Rutte al een de eerste stappen heeft gezet door het afschaffen van het minimumjeugdloon voor jongeren vanaf 21 jaar. Ook het minimumjeugdloon voor 18-, 19- en 20-jarigen is verhoogd naar 50%, 60% en 80% van het minimumloon.

Maar volgens de RMU zijn we er nog niet. Ook jongeren vanaf 18 jaar moeten in staat zijn een zelfstandig bestaan op te bouwen. Bij het hanteren van een minimumjeugdloon lijkt er sprake van discriminatie op grond van leeftijd. De RMU keurt dit af.

Overigens hebben ook ouderen baat bij het afschaffen van het minimumjeugdloon en de jeugdloonschalen in de cao’s. De ouderen worden nu immers regelmatig verdrongen door jongeren met een jeugdloon. Door de afschaffing van het jeugdloon wordt het speelveld meer gelijkwaardig.

Uiteraard is er ook een nuancering aan te brengen. Daar waar er sprake is van jongeren in een leer-werksituatie, kan er sprake zijn van een afwijkende beloning. Deze jongeren leveren nog niet het werk van hetzelfde niveau als een ervaren collega. Dit kan een verschil in beloning rechtvaardigen. Hierbij ligt echter de nadruk niet op (on)volwassenheid, maar op taakvolwassenheid.


Bronnen:

Delen