Minder pensioen in portemonnee

19 JANUARI 2012

​Het zal je maar overkomen dat je binnenkort een brief op de mat hebt liggen waarin je pensioenfonds meedeelt dat je vanaf nu minder pensioen zult ontvangen. Chris Baggerman van de RMU legt uit hoe dat nou precies kan en wat nu eigenlijk de oorzaak is van alle perikelen rondom de pensioenfondsen. En nog belangrijker; hij oppert de vraag of er niet snel wat gedaan moet worden aan de rekenmethode voor  de lange marktrente. Want niemand zit toch te wachten op achteruitgang...?

Ongeveer 4 op de 10 pensioengerechtigden krijgt vandaag of morgen te horen dat mogelijk per 1 april 2013 het pensioen voorlopig versoberd wordt door een korting van maximaal 7 procent. Voor werkende betekent dit dat het tot nu toe bij de werkgever opgebouwde pensioen wordt verlaagd. Slapers (die zijn nog niet met pensioen, maar bouwen geen pensioen meer op bij het betreffende pensioenfonds) krijgen een zelfde korting, maar merken dat dus pas bij pensionering.

Reeds gepensioneerden voelen dit direct in hun portemonnee. Een gepensioneerde die bijvoorbeeld werkzaam is geweest in de metaal en naast zijn AOW-uitkering van ongeveer 1.000 euro een aanvullende pensioenuitkering heeft van 1.000 euro per maand gaat er bruto 60 á 70 euro per maand op achteruit. Netto is dat om en nabij de 40 euro. Dit is een substantiële achteruitgang. Temeer er al enkele jaren sprake is van stilstand in de verhoging van de pensioenuitkering als gevolg van de gestegen prijzen. Bij diverse pensioenfondsen zijn de laatste jaren de pensioenuitkeringen niet geïndexeerd.

Toch zijn enkele nuancerende opmerkingen op zijn plaats:
• Er is sprake van een voorgenomen korting per 1 april 2013 als de marktomstandigheden niet verbeteren en de lange marktrente (rente op risicovrije beleggingen) ongewijzigd blijft. De korting kan later weer worden teruggedraaid als de dekkingsgraden zich herstellen.
• Het pensioenakkoord waardoor de pensioenrichtleeftijd verschuift van 65 jaar naar 66 jaar en vervolgens naar 67 jaar, waardoor de jaarlijkse pensioenlasten zullen dalen, is nog niet meegenomen in de hele problematiek.
• Er wordt niet voldoende nagedacht over alternatieven, bijvoorbeeld over een snelle invoering van de mogelijkheid om na 65 jaar door te werken. Dan kan de korting worden terugverdiend door een langere pensioenopbouw.
• Doordat de AOW niet daalt, maar in de kabinetsplannen wat moet stijgen, wordt de achteruitgang enigszins afgeremd.
• Ten onrechte wordt de indruk gewekt, dat de voorgenomen kortingsmaatregelen het gevolg zijn van het onvoldoende behalen van rendementen van pensioenfondsen. Dat is niet aan de orde aangezien fondsen als PMT, PME en Super de Boer over 2011 een rendement behaald hebben van respectievelijk 6,9 procent, 9,4 procent en 8 procent.
• De grootste boosdoener is de lage lange marktrente 2,7 procent over de laatste drie maanden van 2011, die, voorgeschreven door DNB gehanteerd moet worden. Alle pensioenfondsen bij elkaar hebben nog nooit zoveel belegd vermogen als thans het geval is: 835 miljard euro. Dus als de mooie rendementen van het laatste jaar wordt voortgezet, zullen weer winsten ontstaan die juist weer goed zijn voor de dekkingsgraad.
• De kleinere boosdoener is de stijging van de levensverwachting. Per 10 jaar stijgt de levensverwachting tenminste met 1 jaar, is de prognose. Dat geldt met name voor de hoger betaalden. Een rem in de pensioenvoorziening van die categorie kan daarom helpen om de tekorten (gedeeltelijk) weg te werken.
• Hoe lager de rente waarmee de verplichtingen berekend moeten worden, hoe meer de verplichtingen stijgen en dus meer beleggingen noodzakelijk zijn. Als een pensioenfonds over een jaar 1.000 euro moet betalen en de rente is 8 procent, dan is nu 926 euro voldoende. Is de rente 3 procent dan is 971 euro nodig. Een stijging met maar liefst ruim 5 procent.
• De vraag is of de door de DNB gehanteerde rekenrente, 2,7 procent over de laatste drie maanden van 2011, reëel is.
o Om de banken en de economie overeind te houden, wordt de rente in Europa kunstmatig laag gehouden;
o De gerealiseerde rendementen van de laatste 40 jaar bedragen gemiddeld 8 procent. Het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ambtenaren) heeft bijvoorbeeld over de periode 1993-2010 een rendement behaald van 7,1 procent. De inflatie is hier niet in meegenomen.

De RMU heeft geen enkele moeite met het strenge toezicht van de Nederlandsche Bank op de pensioenfondsen. Laat daar geen misverstand over bestaan. De RMU meent wel dat er een fundamentele discussie gevoerd moet worden over de vraag of de gehanteerde rekenmethodiek voor de lange marktrente ( 2,7 procent over de laatste 3 maanden van 2011) verstandig is. Nu worden de pensioenverplichtingen contant gemaakt tegen de actuele risicovrije rentevoet (thans 2,7 procent). Lange tijd is de zogenaamde rekenrente 4 procent geweest. Een stijging van de rente met 1 procentpunt leidt tot een stijging van de dekkingsgraad met 15 procent. Zou er niet teruggekeerd moeten worden naar de oude methode waar over een veel langere periode gekeken werd naar de rente. Het is immers niet reëel om uit te gaan van een rendement waarvan bekend is dat dit weliswaar zeer veilig is (Nederlandse staatsobligaties), maar geen maatstaf kan zijn voor een optimaal beleggingsbeleid. Als de korting daadwerkelijk doorgaat, zal dit onvermijdelijk leiden tot uitval van de consumptieve vraag. En dat is nu juist waar niemand in deze conjuncturele neergang op zit te wachten. Gelukkig zijn er nog veel pensioenfondsen (en pensioenverzekeraars) die niet in de gevarenzone vertoeven. Wie kan van wie leren?

Tekst: Chris Baggerman is als coördinator arbeidsvoorwaardenbeleid werkzaam bij de RMU

Delen