Belastingen

Dit hoofdstuk is onderdeel van de Nota Arbeidsvoorwaardenbeleid 2019.

Korte terugblik en actualiteit

De afgelopen decennia hebben de hypotheekfinanciering en de pensioenvorming als communicerende vaten gewerkt. De gemiddelde Nederlander stelde veel inkomen uit naar de toekomst via pensioenvorming, en leende dat geld grotendeels weer terug voor de financiering van de eigen woning. Hoewel het vormen van toekomstvoorzieningen en het stimuleren hiervan op zichzelf bezien een nastrevenswaardig doel is, heeft de fiscaliteit voor zowel de hypotheekfinanciering als voor de pensioenopbouw ook bijgedragen aan luchtbelvorming, wat van overheidswege lange tijd is gestimuleerd. Het resultaat is dat Nederland een land geworden is dat met hoge inkomstenbelastingtarieven verhoudingsgewijs weinig belastingopbrengst realiseert.

Het Nederlandse belastingstelsel kent een schijvenstelsel van belastingtarieven voor het belasten van arbeidsinkomsten. Bij verschillende inkomens zijn verschillende progressieve tarieven van toepassing. Het is echter een illusie te denken dat Nederland nog een belasting naar draagkracht kent. De netto belastingdruk in Nederland is sterk afhankelijk van factoren als de leefvorm, de woonsituatie en het vermogen om een bepaald inkomen te verdienen. De inkomstenbelasting is in combinatie met de diverse sociale regelingen complex en zit vol met prikkels die leiden tot tenminste calculerend gedrag.

Belastingplan 2019

Zoals in het Regeerakkoord van 10 oktober 2017 reeds was opgenomen, volgt uit het Belastingplan 2019 dat voor de heffing van inkomstenbelasting over inkomen uit werk en woning een tweeschijvenstelsel zal worden ingevoerd, een zogenoemde sociale vlaktaks. Deze sociale vlaktaks moet de belastingheffing van verschillende typen huishoudens evenwichtiger maken. Voor de heffing van inkomstenbelasting uit werk en woning (box 1) wordt vanaf 2019 geleidelijk een tweeschijvenstelsel geïntroduceerd. Er zullen pas daadwerkelijk twee tariefschijven zijn in 2021. Er zal een gezamenlijk basistarief gelden voor inkomen tot en met € 68.507 en een toptarief voor het inkomen boven € 68.507. In 2021 zal het gezamenlijke basistarief 37,05 procent zijn. Dat is bijna 4 procentpunt lager dan het huidige belastingtarief van de derde schijf. Het nieuwe toptarief komt uit op 49,50 procent (2021), bijna 2,5 procentpunt lager dan het huidige toptarief. Voor AOW-gerechtigden zal er feitelijk sprake zijn van een drieschijvenstelsel. Het beginpunt van de hoogste tariefschijf (€ 68.507) wordt gedurende de kabinetsperiode (tot en met 2012) niet geïndexeerd. Hierdoor krijgen meer belastingplichtigen te maken met het toptarief, dan zonder deze maatregel het geval zou zijn.

Door een verhoging van de arbeidskorting gaat werken meer lonen voor werkenden met een inkomen tussen de € 20.000 en € 60.000 per jaar. Tevens wordt de algemene heffingskorting verhoogd, waardoor het besteedbaar inkomen toeneemt van werkenden met een inkomen tot € 50.000 per jaar.

Voorgesteld wordt de opbouw van de inkomensafhankelijke combinatiekorting gelijkmatiger te laten plaatsvinden. De opbouw verloopt vanaf het drempelinkomen geleidelijk vanaf nihil in plaats van vanaf een vast bedrag. Het opbouwpercentage stijgt naar 11,45 procent, maar de maximale inkomensafhankelijke combinatiekorting blijft gelijk, waardoor de maximale korting al bij een lager inkomen wordt bereikt. De wijziging van de vormgeving van de inkomensafhankelijke combinatiekorting vergroot de prikkel om meer uren te gaan werken. De korting wordt slechts verkregen bij de aanwezigheid van kinderen jonger dan twaalf jaar, én vereist is dat de beide partners arbeidsinkomen verkrijgen. Eenverdieners lopen hiermee een heffingskorting van maximaal € 2.801 mis.

Het kabinet verschuift de lasten op arbeid naar lasten op consumptie door het verlaagde btw-tarief van zes procent te verhogen naar negen procent. Dit heeft tot gevolgd dat bijvoorbeeld boodschappen en consumpties duurder worden.

Leefvormneutraal belasting heffen

Reeds op 9 februari 2011 is er in de Tweede Kamer een rondetafelgesprek geweest over een leefvormneutraal belastingstelsel. Om tot een leefvormneutraal belastingstelsel te komen, dient er een gemeenschappelijke definitie te zijn van het begrip ‘leefvormneutraliteit’.

In het in september 2016 uitgegeven boek ‘Geloofwaardig belasting heffen’ van prof. dr. L.G.M. Stevens en dr. A.M. Lejour, wordt opgemerkt dat leefvormneutraliteit kan betekenen dat als norm wordt gehanteerd dat alle individuen, ongeacht hun leefvorm, fiscaal gelijk worden behandeld. Dat leidt tot een individueel stelsel van belastingheffing. De alleenstaanden, maar ook de personen die als alleen- of tweeverdieners deel uitmaken van het gezinsverband, worden in die benadering op grond van hun individuele inkomen belast. Het al dan niet aanwezig zijn van een partnerinkomen en de hoogte daarvan, zijn in die benadering geen relevante factoren voor de vaststelling van de maatstaf van draagkracht en daardoor ook niet voor de verschuldigde belasting.

Leefvormneutraliteit kan, zo schrijven Stevens en Lejour verder, ook worden bezien vanuit het perspectief van het gezin. De normstelling voor de leefvormneutraliteit moet dan zijn dat gezinnen met een gelijk gezinsinkomen gelijk worden belast. Dat leidt tot de keuze van een gezinsbelasting. Bij deze gelijkheidsnorm is het inkomen per partner niet van belang. Bepalend is slechts het inkomen op gezinsniveau. Het fiscaal beleid van het kabinet van de achterliggende jaren, als ook het beleid voor het komende belastingjaar, richt zich echter op een individueel stelsel van belastingheffing.

Verschil in belastingdruk tussen een- en tweeverdienersgezinnen

Gedurende een reeks van jaren is het verschil in belastingdruk tussen eenverdienersgezinnen en tweeverdienersgezinnen vergroot. Een eenverdienersgezin wordt het zwaarst belast. Uitgaande van de bedragen voor 2019 betaalt een eenverdienersgezin met een gezinsinkomen van 40.000 euro nog steeds tot bijna zes keer meer belasting dan een tweeverdienersgezin met hetzelfde gezinsinkomen. Hierbij wordt overigens uitgegaan van inkomen uit loondienst. Indien het gaat om ZZP’ers, dan zijn de verschillen in belastingdruk nog groter.

De verschillen, die weinig of niets meer te doen hebben met draagkrachtverschillen, zouden de komende jaren, bij ongewijzigd beleid, verder zijn opgelopen. Belastingheffing is de achterliggende jaren in toenemende mate gebruikt ter stimulering of juist ter ontmoediging van bepaald gewenst of ongewenst geacht gedrag van burgers. De hoofddoelstelling was de bevordering van de arbeidsparticipatie en daarmee van individuele economische zelfstandigheid, die een noodzakelijke voorwaarde zou zijn voor emancipatie, in het bijzonder van vrouwen. Werken werd financieel aantrekkelijker door het verhogen van onder andere de arbeids- en combinatiekorting. Niet-werken werd minder aantrekkelijk door het vanaf het jaar 2009 stapsgewijze inperken van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting. Dit beleid heeft bijgedragen aan de toename van het aandeel tweeverdieners en het aandeel economisch zelfstandige vrouwen.

Hoewel de reactie van de zijde van de verschillende kabinetten tot nu toe weinig hoopvol is gebleken, is het winst dat het onrecht van de forse fiscale verschillen tussen eenverdieners- en tweeverdienersgezinnen door steeds meer partijen wordt erkend. De Tweede Kamer heeft 24 mei 2018 dan ook de motie van SGP Tweede Kamerlid Stoffer aangenomen waarin de regering wordt verzocht opties te schetsen voor de langere termijn om de pijnpunten in de marginale druk, bijvoorbeeld voor eenverdieners, weg te nemen en hierover binnen een jaar te rapporteren aan de Kamer. Aanleiding voor de motie is dat het verschil in belastingdruk tussen een- en tweeverdieners de afgelopen jaren steeds groter is geworden.

De Tweede Kamer wijdde op 24 mei 2018 voor het eerst een heus debat aan de belastingdruk van eenverdieners. Het debat had plaats naar aanleiding van de beleidsbrief ‘Eenverdieners onder druk’ van het Centraal Planbureau van 22 februari 2018, waarin het CPB terecht de beleidsvraag aan de orde stelt hoe hoog de druk op eenverdienersgezinnen moet worden ten opzichte van die op tweeverdienersgezinnen. Eenverdienersgezinnen hebben gemiddeld een lager huishoudinkomen dan tweeverdienersgezinnen. Daar staan bepaalde voordelen tegenover, zoals meer tijd voor informele zorg, maar de vraag is of die voordelen (nog) opwegen tegen de (toenemende) ongelijkheid in de besteedbare inkomens van eenverdieners- en tweeverdienersgezinnen.

Het huidige kabinet zet op de korte termijn weliswaar stappen om te voorkomen dat het verschil in belastingdruk tussen een- en tweeverdieners verder toeneemt, maar volgens de indieners blijven ook op lange termijn de knelpunten in de marginale druk, bijvoorbeeld voor eenverdieners, een prangend onderwerp. Dit wordt bevestigd in de analyse van het Centraal Planbureau, waarin wordt vastgesteld dat er door het fiscale pakket in het regeerakkoord van Rutte III weinig verandert aan de belastingdruk op de laatst verdiende euro (de marginale belastingdruk).

Transparantie in het belastingstelsel

Politiek opportunisme heeft ertoe geleid dat het Nederlandse belastingstelsel de afgelopen jaren, als gevolg van vele beleidsmatige ingrepen, verworden is tot een nauwelijks te doorgronden stelsel dat, in plaats van het innen van belastinggeld, gericht is op het bedrijven van inkomenspolitiek. De vele aanpassingen en toevoegingen doen afbreuk aan de effectiviteit van het belastingstelsel en zijn strijdig met de telkens weer voorgenomen wens tot vereenvoudiging. Voor de gewone Nederlandse burger is het Nederlandse belastingstelsel – met verschillende belastingtarieven, heffingskortingen en toeslagen- nauwelijks meer te bevatten.

In zijn artikel ‘Belastinghervorming is een haalbare uitdaging’ in het tijdschrift ESB van 7 september 2017 merkt prof. dr. L.G.M. Stevens op ‘dat de doorwerking van evenwichtverstorende elementen in de inkomstenbelasting naar de toeslagen het probleem versterkt van de rechtvaardige verdeling van de belastingdruk. Ook de heffingskortingen moeten daarop beter worden afgestemd.’ Deze twee aspecten worden hierna toegelicht.

Wisselwerking inkomstenbelasting en toeslagen

De toeslagsystematiek en de loon- en inkomstenbelasting zijn gebrekkig op elkaar afgestemd. De belastingheffing is gebaseerd op het individuele inkomen, terwijl de toeslagen afhankelijk zijn van het huishoudinkomen. Het draagkracht- en toeslagprofiel volgen elk een eigen patroon. Daardoor dragen miljoenen mensen bij aan de financiering van de collectieve uitgaven, terwijl tegelijkertijd (veelal dezelfde) miljoenen huishoudens inkomensondersteuning ontvangen voor zorg- en huurkosten, kosten voor kinderen en kinderopvang. Zo wordt er nodeloos veel geld rondgepompt. Dat legt een zware uitvoeringslast op de Belastingdienst.

De bestaande koppeling van het toeslaginkomen aan het belastbare inkomen leidt ertoe dat ook de niet-draagkrachtgebonden aftrekposten (onder andere zelfstandigenaftrek, investeringsaftrek, hypotheekrenteaftrek) doorwerken in het toeslaginkomen. Een ZZP’er die met zijn werkzaamheden een gelijk inkomen behaalt als een werknemer in dienstbetrekking door het feit dat hij bijvoorbeeld een zelfstandigenaftrek krijgt, kan aanmerkelijk hogere toeslagen ontvangen dan de werknemer. Het ligt voor de hand deze oneigenlijke doorwerking van instrumentele aftrekposten naar de toeslagtoekenning af te schaffen. Daardoor wordt een grotere gelijkheid in behandeling verkregen en kan het rondpompen van geldstromen worden verminderd. De onderstaande figuur geeft weer wat de effecten zijn van de invloed van de niet-draagkrachtgebonden aftrekposten op de hoogte van de toeslagen.

Heffingskortingen

Om principiële redenen en ter vereenvoudiging moet de inkomensafhankelijke algemene heffingskorting worden vervangen door een inkomensonafhankelijke korting. Ook de vormgeving van de arbeidskorting is uit het spoor gelopen. Zoals reeds genoemd, is de arbeidskorting ingegeven door participatieoverwegingen die op gespannen voet staan met het draagkrachtbeginsel. Ook op andere punten zijn heffingskortingen aan revisie toe. Een voorbeeld hiervan is de beperking in de overheveling van de heffingskorting tussen partners. Deze beperking staat op gespannen voet met het karakter van de algemene heffingskorting als tariefcomponent in een belasting naar gezinsdraagkracht. Bovendien werkt deze maatregel als stimulering tot deelname aan de arbeidsmarkt niet adequaat. Vermogende gezinnen kunnen zich immers door het toerekenen van inkomsten uit vermogen aan de partner met het laagste inkomen gemakkelijk aan de nadelige werking van de geleidelijke afbouw onttrekken.

Transparantie over de doelen in het belastingstelsel zal het draagvlak voor belastingheffing kunnen vergroten. Hoewel uit het regeerakkoord van de coalitiepartijen VVD, CDA, D66 en ChristenUnie weliswaar de introductie van een zogenoemde sociale vlaktaks volgt, en dit zijn eerste beslag vindt in het Belastingplan 2019, blijft het, met inachtneming van wat hiervoor is geschreven, jammer dat de heffingskortingen inkomensafhankelijk blijven. Hoewel de maximumbedragen van zowel de algemene heffingskorting als ook de arbeidskorting dan weliswaar omhoog gaan, geldt tegelijkertijd een verhoging van het afbouwpercentage vanaf een zeker aangrijpingspunt. Uit de analyses van het CPB volgt dat die wisselende effecten geeft op de koopkracht. Bovendien is het vanuit het perspectief dat de inkomstenbelasting een draagkrachtbelasting dient te zijn op basis van het gezinsinkomen, een gemiste kans dat, waar het de algemene heffingskorting betreft, de beperking in de overheveling tussen partners niet wordt opgeheven.

Vlaktaks op arbeidsinkomen

Uit diverse studies is gebleken dat de verbetering van de overheidsfinanciën bij voorkeur behaald wordt door beperking van de overheidsuitgaven, en niet door belastingverhoging. Belastingverhoging remt de groei. Daarom moet de belasting worden geheven over een zo breed mogelijke grondslag en met een zo uniform mogelijk tarief, zodat tarieven laag kunnen blijven en markten zo min mogelijk worden verstoord. Hiervan uitgaande zou het wenselijk zijn om het huidige belastingsysteem, met de reeds bestaande vlaktaksen in box 2 en box 3, uit te breiden met een vlaktaks op inkomen uit arbeid (box 1). Een fundamentele vereenvoudiging van het belastingstelsel op deze punten is noodzakelijk om het hierboven weergegeven probleem van verschillen in belastingdruk tussen eenverdieners en tweeverdieners aan te pakken.

De invoering van een vlaktaks kan er aan bij dragen de verstoorde fiscale neutraliteit op diverse terreinen te herstellen. Allereerst bewerkstelligt de vlaktaks een leefvormneutrale inkomstenbelasting. Hiermee wordt een einde gemaakt aan de tegenstelling tussen gezinsdraagkracht en de individuele draagkracht. De ongelijke behandeling van de eenverdieners- en tweeverdienersgezinnen wordt hiermee opgelost.

Bij de invoering van een vlaktaks geldt voor iedereen hetzelfde belastingtarief, ook ten aanzien van de aftrekposten. Bovendien wordt als gevolg van het invoeren van een vlaktaks het belastingsysteem veel eenvoudiger. Voor werkgevers wordt het eenvoudig om aan werknemers aan te geven hoeveel netto besteedbaar blijft van een uur extra werken.

Door een vlaktaks dragen werkgevers voortaan de loonheffingen, die dienen als voorheffing van de inkomstenbelasting, af als vast percentage van de totale loonsom van alle werknemers. Dat betekent een administratieve lastenverlichting en besparing in de uitvoeringskosten. In de aangifte inkomstenbelasting wordt door de werknemer het gebruteerde loon aangegeven en kan de loonsomheffing als voorheffing verrekend worden. Heffingskortingen en toeslagen worden, zonder tussenkomst van de werkgever, rechtstreeks met de fiscus verrekend.

Een vlaktaks op looninkomen heeft als voordeel dat het belastingtarief op inkomen uit arbeid dichter bij het tarief op inkomen uit vermogen komt te liggen, zodat de kunstmatige fiscale prikkel om het eigen huis en eigen onderneming met vreemd vermogen in plaats van eigen vermogen te financieren minder wordt. Het wegnemen van deze kunstmatige fiscale prikkel zal ertoe leiden dat er een gezondere financieringsstructuur van hypotheken tot stand wordt gebracht, omdat meer lenen dan nodig, fiscaal niets méér oplevert. Voor het eigen huis hangt dit vooral samen met het hogere marginale tarief van maximaal 49 procent (2019) waartegen de hypotheekrente mag worden afgetrokken in box 1 ten opzichte van het tarief van 30 procent op het forfaitaire rendement van het vermogen in box 3.

Solidariteitsheffing

Als nadeel van de vlaktaks wordt door menigeen het denivellerende effect ervan genoemd. Doordat een vlaktaks een lager marginaal tarief kent dan het huidige toptarief in de loon- en inkomstenbelasting zullen vooral topverdieners een voordeel van de vlaktaks genieten. Dit houdt in dat de vlaktaks de inkomensverschillen tussen rijk en arm groter maakt, doordat het maximumtarief in de inkomstenbelasting verlaagd wordt van 52 procent tot circa 37 procent. Vanuit de optiek van het draagkrachtbeginsel kan dit denivellerende effect worden opgeheven door het hanteren van een topinkomenheffing, ook wel een solidariteitsheffing genoemd. Dit is een extra heffing op het totale inkomen uit en in verband met arbeid, die vanaf een zeker topinkomen toepassing vindt. Hierdoor worden de inkomensvoordelen aan de bovenkant van het inkomensgebouw ´afgeroomd´. De aftrekposten in box 1 dienen vervolgens alleen verrekend te worden tegen het lagere algemene vlaktakstarief. Een soortgelijke maatregel kan gevonden worden in de aftrekbaarheid van hypotheekrente. Met ingang van 2014 is de hypotheekrente voor mensen in de hoogste inkomstenbelastingschijf niet meer aftrekbaar tegen 52 procent, maar wordt dit in 28 jaar met 0,5 procentpunt per jaar stapsgewijs teruggebracht naar 38 procent. In 2019 is de hypotheekrente dus tegen maximaal 49 procent aftrekbaar. Uit regeerakkoord volgt dat de hypotheekrenteaftrek vanaf 2020 nog sneller zal worden afgebouwd, namelijk in vier jaarlijkse stappen van drie procentpunt per jaar naar het nieuwe basistarief. Het aftrektarief komt in 2023 op 37 procent.

Een andere eenvoudige, doch belangrijke, voorgestelde aanpassing betreft de omzetting van de huidige afnemende werkgeversbijdrage in de Zorgverzekeringswet (Zvw) in een proportionele Zvw-bijdrage. De bestaande premieheffing Zvw is verdeeld in een nominaal en een inkomensafhankelijk deel en wordt vastgesteld op individueel niveau, terwijl de inkomensafhankelijke zorgtoeslag, als correctie-instrument, wordt vastgesteld op basis van het gezinsinkomen. Het voorgaande pleit ervoor om de premieheffing Zvw te fiscaliseren. Hierbij kan de inkomensafhankelijke zorgtoeslag worden afgeschaft.

In 2018 droeg iedere werkgever tot een inkomen van ruim vierenvijftigduizend euro 6,90 procent van het inkomen van elke werknemer als premieheffing Zvw af. Deze premieheffing zorgt ervoor dat de lasten aan de onderkant van de arbeidsmarkt worden verzwaard. Door diverse beleidseconomen wordt voorgesteld dat, na invoering van de vlaktaks, van ieder inkomen vier tot vijf procent over het gehele inkomen wordt afgedragen voor de zorg. Hierdoor wordt het denivellerende effect van de vlaktaks aan de onderkant beperkt. Bovendien wordt huidige ingewikkelde financiering overboord gezet en wordt gekozen voor een meer houdbare financiering van de zorg.

Robotisering en fiscaliteit

Mevrouw Krista Bruns, beleidsmedewerker bij het Ministerie van Financiën, gaat in haar artikel ‘De impact van nieuwe technologieën op de fiscaliteit’ in het tijdschrift ESB van 7 september 2017 onder andere in op het verschijnsel robotisering en de gevolgen hiervan voor de fiscaliteit. In de Nota Arbeidsvoorwaarden 2019 wijdt de RMU een hoofdstuk over het onderwerp ‘robotisering’, omdat het een onderwerp vol controverses is. De toenemende rol van robots in de samenleving en de arbeidsmarkt roept immers niet alleen tegengestelde gevoelens op, maar leidt ook tot tegengestelde prognoses voor de toekomstige arbeidsmarkt.

In haar voornoemde bijdrage schrijft Krista Bruns dat het begrip ‘arbeid’ een transformatie ondergaat als gevolg van robotisering. Veel banen kunnen door robots worden overgenomen, maar het is daarbij onzeker of er ook nieuwe banen ontstaan. De vraag kan daarom gesteld worden of de arbeiders van nu te vergelijken zijn met de bestuurders van paardentrams die in het begin van de twintigste eeuw aan de slag gingen als bestuurders van elektrische trams, of als de paarden die niet meer aan het werk kwamen? De vierde Industriële Revolutie, zoals het verschijnsel van onder andere de robotisering ook wel wordt genoemd, lijkt zich echter wel te onderscheiden van eerdere revoluties in zowel reikwijdte als snelheid. Daarentegen is in het verleden de snelheid van automatisering weliswaar vaak overschat.

Door robotisering wordt kapitaal belangrijker als productiefactor ten koste van arbeid. Uit het door Krista Bruns aangehaalde onderzoek van het McKinsey Global Institute (2017) volgt dat ongeveer 45 procent van de Nederlandse arbeidsmarkt bestaat uit taken die nu al technisch automatiseerbaar zijn. Dit betekent niet dat al deze banen ook economisch automatiseerbaar zijn. Als de arbeidskosten laag zijn, kan het soms goedkoper zijn om niet te automatiseren.

Gevolgen voor de fiscaliteit

Als er een verschuiving plaatsvindt van arbeid naar kapitaal, daalt de arbeidsinkomensquote (aiq) en ontstaat er mogelijk een structurele bedreiging voor de financiering van publieke middelen. De aiq is het percentage van het nationaal inkomen (netto toegevoegde waarde) dat dient als beloning voor de productiefactor arbeid (arbeidsinkomen). Bij een gelijkblijvende verhouding tussen belasting op arbeid en belasting op kapitaal versmalt de grondslag voor de inkomstenbelasting. Dit is een relevante ontwikkeling: op dit moment bestaat 48 procent van de Nederlandse belastinginkomsten uit lasten op arbeid.

Als het belang van de factor ‘arbeid’ in de toekomst zal afnemen door robotisering, is een verplaatsing van de belastingheffing van arbeid naar kapitaal goed voorstelbaar. Een voor de hand liggende oplossing is dan om de belasting op arbeid te verlagen en om de winstbelasting (of ook wel: belasting op kapitaal) van bedrijven te verhogen.

Door arbeid goedkoper te maken, zal de factor ‘arbeid’ naar verwachting minder snel afnemen. Immers, de factor ‘arbeid’ ten opzichte van kapitaal blijft hierdoor relatief goedkoop. Voorts zal een hogere kapitaalbelasting - waarbij de toename van het kapitaal mede veroorzaakt wordt door de robotisering, en dus een hogere belasting - wellicht leiden tot een vertraging van de voortgaande robotisering, zodat als gevolg hiervan de factor ‘arbeid’ eveneens (langer) van belang blijft.

De keerzijde van het voorgaande is dat een hoge belasting op kapitaal zal kunnen leiden tot veel weglek, omdat kapitaalstromen in sterke mate mobiel zijn. Vanuit de Europese Commissie komen echter voorstellen voor een uniforme Europese winstbelasting, de zogenoemde Common Corporate Tax Base (CCTB) en de Common Consolidated Corporate Tax Base (CCCTB).

In haar optimale belastingmix laat de OESO zien dat de belasting met de breedste grondslag er een zou moeten zijn die het minst mobiel is. 

Hogere winstbelastingen in Nederland tasten onze concurrentiepositie aan, terwijl de toekomst van Nederland en de nationale werkgelegenheid bijzonder gebaat is bij buitenlandse investeringen. Een eventuele stijging van de belasting op het kapitaalinkomen die gepaard gaat met een daling van de lasten op arbeid, moet dan ook in balans zijn en moet tevens langs de weg der geleidelijkheid gaan.

Robotbelasting

Een specifieke vorm van meer belasting op kapitaal is een robotbelasting. In februari 2017 stelde Bill Gates een robotbelasting voor over inkomsten op basis van werk dat door robots is verricht, om daarmee bijvoorbeeld meer werkgelegenheid in ouderzorg of kinderopvang op school te bekostigen. Ook de Europese Commissie heeft reeds in 2016 een voorstel voor een robotbelasting gedaan. De gedachte om te komen tot het voorstel was dat de robotisering ervoor zou kunnen zorgen dat werknemers vervangen zouden worden door geavanceerde robots, die niet alleen steeds handiger maar ook steeds slimmer worden. De schade die dit met zich mee zou brengen voor de werknemers, namelijk het verlies van arbeidsplaatsen, zou op deze manier verhaald kunnen worden op de eigenaren van de robots. Het voorstel is echter in februari 2017 door het Europees Parlement afgewezen omdat het innovatie zou tegengaan.

Visie RMU

  • Gezin als hoeksteen van de maatschappij
  • Naar een rechtvaardiger belastingheffing op arbeid

Gezin als hoeksteen van de maatschappij

Het gezin is een samenlevingsvorm waarbinnen een aantal mensen aan elkaar is verbonden en men van wieg tot graf zorg voor elkaar draagt. Lange tijd leek het gezin van overheidswege een achterhaald verschijnsel. Toch zag het kabinet Rutte II een participatiesamenleving als ideaal. Een samenleving waarbij zorg voor elkaar, via vrijwilligerswerk en mantelzorg, maar ook zorg van ouders voor hun kinderen (weer) tot norm wordt verheven.

Gegeven het feit dat het inkomen als maatstaf voor draagkracht in de belastingheffing als uitgangspunt wordt genomen, doet zich voorts de vraag voor of dit een draagkrachtbelasting op individuele basis of op basis van het gezinsinkomen moet zijn. Omdat de RMU van mening is dat het gezin als hoeksteen van de maatschappij geldt, waarbij opkomend vanuit de verbondenheid aan elkaar, diverse (maatschappelijke) initiatieven worden ontplooid, dient volgens de RMU bij de inrichting van een draagkrachtbelasting als de inkomstenbelasting, het gezinsinkomen als uitgangspunt te worden genomen. Dit betekent dat gezinnen met een gelijk gezinsinkomen gelijk dienen te worden belast, waarbij het inkomen per partner niet van belang is. Om deze redenen bepleit de RMU reeds geruime tijd dat de kloof tussen eenverdienersgezinnen en tweeverdienersgezinnen gedicht moet worden.

Naar een rechtvaardiger belastingheffing op arbeid

Het huidige belastingstelsel gaat uit van een concept van de nutsmaximaliserende “homo economicus”. Of die nu gehuwd is of anderszins een relatie heeft, doet er niet zoveel toe. Ofwel, ieder voor zich. Het individuele stelsel van belastingheffing dat vanuit het kabinet wordt gepropagandeerd, is op z’n minst opzienbarend, gelet op het feit dat in vrijwel alle andere maatschappelijke- en politieke discussies zaken als verantwoordelijkheid, mantelzorg en het recht doen aan de participatiesamenleving begrippen zijn waaraan grote waarde wordt gehecht. De RMU meent dat het huidige belastingstelsel daarom fundamenteel herzien moet worden en dat de miljarden euro’s voor de doorgevoerde en aangekondigde lastenverlaging beter aangewend of gereserveerd hadden moeten worden voor deze door de RMU beoogde fundamentele herziening van het belastingstelsel. Hoewel uit het Belastingplan 2019 volgt dat de koopkracht van eenverdieners en tweeverdieners ongeveer evenveel toeneemt, blijft de kloof in belastingdruk tussen deze groepen onrechtvaardig en onredelijk groot. De RMU stelt voor een echt sociale vlaktaks in te voeren, waarin, naast de belastingtarieven, ook de heffingskortingensystematiek een evenwichtige uitwerking hebben voor eenverdieners en tweeverdieners.
De vlaktaks zorgt voor een verlaging van de uitvoeringskosten voor de overheid en het bedrijfsleven, en zorgt tevens voor een fundamentele aanpak in de nu bestaande ongelijkheid in het netto besteedbaar inkomen tussen eenverdieners- en tweeverdienersgezinnen. Voor de kortere termijn zijn reparaties in het huidige systeem nodig, waartoe wordt voorgesteld de mogelijkheden te verkennen om de sinds 2009 ingevoerde inperking van de heffingskorting voor partners zonder, of met een laag inkomen, terug te draaien. Het inperken van deze heffingskorting komt voort uit de beleidsmatige wens om de inkomstenbelasting sterker in te zetten als instrument voor arbeidsmarktbeleid.

De RMU wil naar een belastingstelsel toe waar verantwoordelijkheid en solidariteit van de burger voorop staan. Het fiscale systeem moet voldoende prikkels bevatten om inkomen te verwerven. De staat blijft echter wel een schild voor de zwakken, met dien verstande dat voorzieningen moeten werken als een vangnet. Met aandacht voor de zelfredzaamheid van de burger. De RMU ziet voordelen in de invoering van de vlaktaks. Natuurlijk moet bij invoering het principe van gelijke kansen voor iedereen gelden. Denk bij gelijke kansen aan werk, scholing en zorg, maar zonder een gedetailleerde invulling op het gebied van wonen, inkomen, kinderen, enzovoorts. Overigens realiseert de RMU zich dat fiscale maatregelen onderdeel zijn van inkomenspolitiek.

Er zijn ook nadelen aan de vlaktaks, bijvoorbeeld de positie van ouderen. Zij gaan fors meer betalen dan in het huidige systeem door de fiscalisering van de AOW. Hier moet aandacht voor zijn, bijvoorbeeld door de AOW’ers zonder een substantieel aanvullend pensioen te compenseren in de vorm van een in de tijd aflopend vrijstellingsbedrag voor niet-AOW-inkomen. De RMU is van mening dat een vlaktaks een verantwoorde uitweg is om de premieheffing volksverzekeringen te fiscaliseren en de AOW-vrijstelling voor AOW’ers langs de weg van de geleidelijkheid (in een periode van 18 jaar per jaar 1 procentpunt om te zetten in belasting) weg te werken. Op deze wijze wordt de AOW-premie evenwichtiger over de inkomensgroepen verdeeld, waardoor de relatief hoge lastendruk aan de onderkant van het loongebouw wordt gematigd. Een ander nadeel is de maatschappelijke weerstand tegen het vergroten van inkomensverschillen, hoewel dit kan worden opgelost door het invoeren van een topinkomenheffing.

Tegenover nadelen staan echter ook voordelen:

  • Het is helder wat een extra uur werken oplevert.
  • Verlaging van de uitvoeringskosten voor overheid en bedrijfsleven.
  • Sociale herverdeling van inkomen met een beperkt aantal heffingskortingen.
  • De vlaktaks zorgt voor een fundamentele aanpak in de nu bestaande ongelijkheid in het netto besteedbaar inkomen tussen eenverdieners- en tweeverdienersgezinnen, doordat het de inkomstenbelasting leefvormneutraal maakt.

Alles afwegende is de RMU voor een sociale vlaktaks. Daarbij moeten grote inkomenseffecten, zowel in negatieve als positieve zin worden vermeden of in ieder geval met behulp van een overgangsregeling worden gedempt.

Hoewel het verschil in belastingdruk tussen eenverdieners- en tweeverdienersgezinnen inmiddels al jaren een terugkerend onderwerp is in de Nota Arbeidsvoorwaarden van de RMU, wordt dit beleidsvraagstuk in toenemende mate als relevant onderkend en politiek ook breder gedragen.

Enkele uren voordat op 24 mei 2018 het debat begon dat handelde over het verschil in belastingdruk tussen eenverdieners- en tweeverdienersgezinnen, heeft de RMU een open brief verstuurd aan de Tweede Kamer en de betrokken bewindspersonen, met een oproep om daadwerkelijk de kloof in belastingdruk tussen een- en tweeverdieners te verkleinen. Daarnaast heeft de RMU een voorstel gedaan om eenverdienersgezinnen met kinderen nog verder tegemoet te komen. De RMU wijst er verder op dat met name de mindervermogende eenverdienersgezinnen met kinderen de dupe zijn. Om hen tegemoet te komen, stelt de RMU voor om het kindgebonden budget samen te voegen met het geld voor de kinderopvang tot een zogenoemd ‘Bestedingspakket Kinderen’. De meest benadeelde eenverdieners, namelijk gezinnen met kinderen, gaan er met dit Bestedingspakket Kinderen ook het meest op vooruit. Bovendien geeft het alle ouders veel meer vrijheid om eigen keuzes te maken zonder financieel gestraft te worden. Want het Bestedingspakket Kinderen ontvangen alle ouders, ongeacht of zij een- of tweeverdiener zijn en ongeacht of zij van kinderopvang gebruikmaken.

Een uniformering van het BTW-tarief heeft voordelen. Een verschuiving van de directe belastingen naar de indirecte belastingen draagt bij aan een meer stabiele belastingopbrengst. Indirecte belastingen kunnen minder gemakkelijk worden ontweken dan directe belastingen en de opbrengst van deze belastingen vertoont kleinere conjuncturele schommelingen. Ook past een uniformering in een internationale trend van uniformering van de BTW-tarieven.

Het voor 2021 geldende tweetarievensysteem in de inkomstenbelasting is door de AOW-premievrijstelling in feite een drietarievensysteem. Het tarief op arbeidsinkomen wordt hierbij minstens zo hoog is als het belastingtarief dat in de huidige vorm geldt voor mensen aan de onderkant van het loongebouw. In relatie met de verhoging in 2019 van het verlaagde BTW-tarief van 6 procent naar 9 procent, wekt deze uitwerking de moeilijk weerlegbare schijn dat zwakke groepen via hun boodschappenmandje geconfronteerd worden met negatieve inkomenseffecten.

Om deze reden is de RMU van mening dat een uniformering van het BTW-tarief alleen in een alomvattend pakket aan belastinghervormingen mogelijk gemaakt kan worden, in samenhang met een vermindering van de loon- en inkomstenbelasting, waarbij vooral de laagste inkomensgroepen niet geconfronteerd mogen worden met negatieve inkomenseffecten.

Bronnen:

  • Definitief rapport van de commissie Van Dijkhuizen van 17 juni 2013;
  • Tweede Kamerbrief ‘Keuzes voor een beter belastingstelsel’ van 16 september 2014;
  • Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht 2015/2557;
  • CPB Policy Brief 2015/16 ‘Een meer uniforme belasting van kapitaalinkomen’;
  • Belastingplan 2018;
  • Keuzes voor een beter belastingstelsel 2.0, TvOF, jaargang 47, 2015, nummer 1, Wim Drees Stichting voor Openbare Financiën, C.J.L. Caminada;
  • Brief staatssecretaris van Financiën 15 juni 2016, Kamerstukken I, vergaderjaar 2015-2016, 34 302, T;
  • Geloofwaardig belasting heffen, prof. dr. L.G.M. Stevens en Dr. A.M. Lejour, Wolters Kluwer, Deventer, 2016;
  • Financieel Dagblad 5 juli 2016, ‘Onder eenverdieners zie je zich een stille ramp voltrekken’;
  • Rapport werkgroep Fiscaliteit ten behoeve van de Studiegroep Duurzame Groei, juli 2016. Te lezen via: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/07/06/rapport-werkgroep-fiscaliteit
  • Belastinghervorming is een haalbare uitdaging, prof. dr. L.G.M. Stevens, ESB Belasting op kapitaal, 7 september 2017, Jaargang 102, nummer 4753;
  • Fundamentele herziening van belastingen op kapitaalinkomen, prof. dr. B. Jacobs, ESB Belasting op kapitaal, 7 september 2017, Jaargang 102, nummer 4753;
  • De impact van nieuwe technologieën op de fiscaliteit, mevrouw K. Bruns, ESB Belasting op kapitaal, 7 september 2017, Jaargang 102, nummer 4753;
  • Europees Parlement (2017b). Zittingsdocument Europees Parlement A8-0005/2017 d.d. 24 januari 2017. Verslag met aanbevelingen aan de Commissie over civielrechtelijke regels inzake robotica (2015/2103(INL). Te lezen via: http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//NONSGML+REPORT+A8-2017-0005+0+DOC+PDF+V0//NL;
  • Telegraaf 3 oktober 2017, FNV eist robotwinst op;
  • Berichtgeving NOS.nl van 29 september 2017, Nieuw kabinet wil belastingen met 5 miljard verlagen;
  • Regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’, 10 oktober 2017;
  • CPB notitie 4 oktober 2017, Analyse economische en budgettaire effecten van de financiële bijlage van het Regeerakkoord.
  • CPB Beleidsbrief 22 februari 2018 ‘Eenverdieners onder druk’.
  • ESB 24 mei 2018, artikel van Patrick Koot en Marente Vlekke.
  • Artikel FD 24 mei 2018 ‘CPB: kabinet verandert weinig aan marginale belastingdruk’.
  • Belastingplan 2019.
  • Memorie van Toelichting bij Belastingplan 2019.
  • Het Financieele Dagblad 22 september 2018, Opinie-bijdrage van Prof. dr. L.G.M. Stevens.
  • www.rmu.nu
Delen