Loonwens

Dit hoofdstuk is onderdeel van de Nota Arbeidsvoorwaardenbeleid 2019.

“Meer mensen moeten concreet merken dat het goed gaat”, zo verwoorde de koning de boodschap van het kabinet Rutte III op Prinsjesdag 2018. Een bijna vergelijkbare boodschap kwam ook naar voren bij de presentatie van de regeerakkoord een jaar eerder (okt. 2017). Toen was de boodschap: “het gaat goed met de economie, maar nog niet iedereen profiteert daarvan”. Hoe kan het dat we in een jaar nog nauwelijks opgeschoten zijn? Terwijl vele economen, de Nederlande Bank (DNB) en diverse andere instituten al jarenlang pleiten voor het beter verdelen van de welvaart slagen we daar kennelijk niet zo in.

In hoofdstuk 2.1 Economie en Arbeidsmarkt van deze nota kunt u meer lezen over het regeerakkoord van Rutte III, de achtergronden en ontwikkelingen van de economie. In dit hoofdstuk beperken we ons tot de koopkracht, inflatie en loonontwikkeling en wat daarmee samenhangt.

De economie blijft groeien, lonen stijgen maar langzaam

Het gaat naar verwachting in 2019 al voor het zesde jaar op rij goed met de Nederlandse economie. In de Macro Economische Verkenning 2019 (MEV 2019) rekent het CPB ons voor dat de verwachte economische groei in 2019 2,6 procent zal bedragen. Voor 2018 zijn de ramingen al bijgesteld naar een economische groei van 2,8 procent. Een gevolg van deze groeicijfers is een oplopende output gap (het verschil tussen vraag en aanbod in de economie). Deze gap is goed te merken in de toenemende krapte op de arbeidsmarkt.

Ondanks de economische groei stijgt het beschikbaar inkomen maar langzaam. In de MEV 2019 wordt dit uitgebreid toegelicht. Het reëel beschikbaar inkomen is in de periode 2002-2017 met slechts 2 procent gegroeid, terwijl de economie in diezelfde periode met 15 procent is gegroeid. Zoomen we iets verder in op de jaren na de crisis dan blijkt dat de reële inkomens weliswaar weer in de stijgende lijn zitten, maar nog steeds ver achterlopen op de economische groei. Een belangrijke oorzaak hiervoor ziet het CPB in het achterblijven van de loonkosten (bijna 7 procent van het verschil), wat dus betekent dat de lonen niet in dezelfde verhouding meestijgen met de economische groei.
Ook het Internationaal Monetair Fonds (IMF) constateerde in 2018, in een jaarlijks rapport over de Nederlande economie, dat de loongroei in Nederland achterblijft bij andere landen. De Nederlanders doen zichzelf hiermee te kort, aldus het IMF.

Volgens de economieboeken stijgen de lonen sterk in een periode van dalende werkloosheid en toenemende krapte op de arbeidsmarkt, in combinatie met economische groei. In een krapper wordende arbeidsmarkt neemt de onderhandelingspositie van werkenden ten opzichte van werkgevers en opdrachtgevers normaliter toe. Hoewel te verwachten zou zijn dat dit zou leiden tot verbetering van de arbeidsvoorwaarden voor werkenden in de vorm van hogere lonen, is de loonstijging vooralsnog bescheiden. De vraag hoe het komt dat de lonen niet of nauwelijks stijgen, is interessant. Op zoek gaan naar mogelijke verklaringen is des te interessanter. Vanuit de MEV 2018 worden hier een aantal mogelijke verklaringen weergegeven:

Een eerste verklaring voor de voornoemde vraag zou zijn dat arbeid aan de verliezende hand is. Over een periode van tientallen jaren neemt het inkomensaandeel van arbeid, de arbeidsinkomensquote (aiq), gestaag af in veel hoogontwikkelde economieën, alsook in veel grote opkomende economieën. Volgens de nieuwe berekeningsmethode die het CPB sinds dit jaar hanteert blijkt dat de aiq in 2017 is gedaald van 72,9 naar 71,8 procent. In 2018 daalt deze licht naar 71,7 procent In de jaren negentig lag dit percentage nog boven de 80 procent. Hoogleraar arbeidsverhoudingen Paul de Beer pleit zelfs voor het spreken over een loonquote waarbij het inkomen van ZZP’ers buiten beschouwing wordt gelaten. Deze loonquote is nog een stuk lager dan de aiq, wat dus betekent dat werknemers (zonder het inkomen van ZZP’ers mee te rekenen) er nog slechter voorstaan dan het aiq doet vermoeden.

Deze dalende trend is breed erkend en door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) reeds onderkend in een door deze organisatie uitgegeven rapport ‘Labour losing to capital’. Globalisering, technologische vernieuwing en de daling van de prijs van kapitaalgoederen zijn hier debet aan. Deze structurele veranderingen in het productieproces verzwakken de marktmacht van werknemersorganisaties, die toch al te kampen hebben met dalende ledenaantallen. In OESO-landen is het aandeel van werknemers die deelnemen aan een cao, gedaald van gemiddeld 45% in 1985 tot 33% in 2015.

Een tweede verklaring zou kunnen zijn dat flexibilisering de loonstijging drukt. Werknemers in vaste dienst moeten concurreren met een snel gegroeide groep zzp’ers, wat de loonstijging geremd zou kunnen hebben. Kleine bedrijven met werknemers in loondienst ondervinden concurrentie van eenmanszaken. Toch blijft de loonontwikkeling in bedrijfstakken met een relatief sterk gegroeid aantal zzp’ers, zoals de bouw, het vervoer en de gezondheidszorg, niet zichtbaar achter bij andere bedrijfstakken. Naast dat meer en meer mensen als zelfstandige actief zijn, werken steeds meer mensen op basis van flexibele contracten (min/max-contracten en nul-urencontracten). Flexibilisering brengt steeds meer een verschuiving in de prioriteiten van werknemersorganisaties teweeg. Cao-onderhandelingen gaan niet langer alleen over het loon, maar ook over flex-contracten en pensioen.

Om het tij te keren pleitten in de loop van 2017 steeds meer economen, hoogleraren, politici en instituten voor een stevige loonstijging. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) pleit hier al jaren voor. Ook het CPB en DNB uitten in juni 2017 hun verbazing over de geringe loongroei in Nederland. En er is ruimte voor een loongroei. Het CBS laat weten dat niet-financiële bedrijven in het eerste kwartaal van dit jaar een 'uitzonderlijk hoge winst' hebben geboekt. Sinds het begin van de metingen in 1999 is de bruto kwartaalwinst voor belasting nog niet zo hoog uitgevallen als in de de laatste jaren, met een piek van ruim 62 miljard in het 3e kwartaal van 2017.

Koopkracht

De koopkrachtplaatjes zijn altijd een belangrijk onderdeel van de Miljoenennota die het kabinet op Prinsjesdag presenteert. Ook dit jaar is dat niet anders. De verwachting is dat de gemiddelde koopkracht in 2019 stijgt met 1,5 procent.

Tussen gezinnen met of zonder kinderen is geen onderscheid aan te brengen. Kijkend naar het niveau van het inkomen komen de laagste 20 procent naar inkomen er het slechts van af met 1 procent koopkrachtstijging, ten opzichte van 1,6 procent voor alle hogere inkomensgroepen.

Belangrijk detail bij de koopkrachtplaatjes is dat er gerekend wordt met een bepaalde verwachte contractloonstijging. Het is goed om hier enige kanttekeningen bij te plaatsen.
In de MEV 2018 werd gerekend met een koopkrachtstijging van 0,6 procent. Hierbij werd gerekend met een contractloonstijging van 2,2 procent. Volgens de MEV 2019 zijn de resultaten voor 2018 lager dan vorig jaar verwacht. De koopkracht blijft met +0,4 procent achter, evenals de contractloonstijging met +2,0 procent.
Voor 2019 verwacht het CPB een koopkrachtstijging van 1,5 procent. Daarbij is gerekend met een contractloonstijging van 2,9 procent.
Een ander belangrijk detail bij de koopkrachtplaatjes is dat naast een lastenverlichting op arbeid (verlaging van loon- en inkomensheffing) er ook een lastenverzwaring (verhoging milieubelasting en een stijging van het lage BTW-tarief) is ingecalculeerd.
Er is ook kritiek op de wijze waarmee de politiek omgaat met de koopkrachtplaatjes van het CPB. Hoogleraar arbeidsverhoudingen Paul de Beer betuigt al jaren dat de koopkrachtcijfers alleen maar weergeven wat de statische koopkracht van mensen is van wie de persoonlijke situatie niet wijzigt. Maar in werkelijkheid is volgens hem de dynamische koopkracht veel belangrijker. Wat gebeurt er met mensen als ze hun baan kwijtraken of juist een baan vinden, kinderen krijgen, of als kinderen het huis uitgaan? Dat doet pas echt iets met de koopkracht.

Loonkosten bedrijven

In september 2017 gaf Hans de Boer, voorzitter van VNO-NCW aan dat de lonen in 2018 best met ‘een procent of 3’ zouden kunnen stijgen, hoewel dit enkele uren later alweer door VNO-NCW werd afgezwakt. Dit in tegenstelling tot de mening die hij een jaar eerder uitte. In juni 2017 vertelde Hans de Boer namelijk in De Telegraaf dat de loonkosten voor de bedrijven juist fors stijgen, en wel met bijna 3 procent per jaar. Dit klopt ook wel gezien de CPB-cijfers. Daaruit blijkt dat de loonkosten in 2018 oplopen met 2,8 procent. Daartegenover staan echter andere cijfers, eveneens berekend door het CPB. Het gaat dan om de prijs van arbeid (de totale loonkosten van het bedrijfsleven gedeeld door het aantal gewerkte uren). Daaruit blijkt dat de prijs van arbeid de laatste jaren nauwelijks gestegen is. In 3 jaar tijd kwam er slechts 1,2 procent bij, maar net meer dan de inflatie in die periode.
De OESO heeft een eigen indicator voor de prijs van arbeid. Zij kijkt naar de loonkosten per eenheid product. In de periode 2000-2008 stegen de loonkosten per eenheid product stevig, met ruim 20 procent. Maar vanaf het begin van de crisis is er weinig toename te zien (3 procent sinds 2008). De laatste jaren is deze stijging nihil, terwijl de ons omringende landen (Duitsland; ruim 10 procent | Frankrijk en België; 7 procent) juist wel een hardere stijging laten zien.
Het zal niet verbazen dat werkgevers eerder pleiten voor het verlagen van de lasten door de overheid, dan voor het laten stijgen van de lonen. Maar of ze hiermee een punt hebben, gezien de achterblijvende stijging van de loonkosten per eenheid product, valt te betwijfelen.

VISIE RMU

  • Loonstijging nodig om tegenvallers op te vangen
  • Gedifferentieerde loonwens vanaf 3,7 procent
  • Jeugdlonen moeten omhoog
  • Scholingsrecht voor medewerkers

Loonstijging nodig om tegenvallers op te vangen

De RMU plaatst kanttekeningen bij de miljoenennota 2019. De gaten in deze begroting worden gedicht met de financiële meevallers uit de economische groei die we verwachten, terwijl het economisch tij ook kan omslaan. Als de energierekening, de dagelijkse boodschappen en de zorgverzekering duurder worden, maar de lonen niet echt gaan meestijgen, vallen de mooie koopkrachtplaatjes uiteindelijk in duigen. Daarom is het zaak dat de lonen in de komende jaren ook echt substantieel gaan stijgen.
Omdat werkgevers in een discussie over loonstijging vaak wijzen naar de overheid, en dat die de lasten maar moet gaan verlichten zet de RMU een aantal voor- en nadelen op een rijtje.

Loonstijging

Voordelen:

  • Werkenden gaan er op vooruit
  • De belastingbetaler hoeft niet op te draaien voor de kosten, die komen namelijk voor rekening van bedrijven/aandeelhouders

Nadelen:

  • De loonkosten voor bedrijven stijgen, waardoor er mogelijk minder ruimte is voor investeringen
  • Mogelijk minder ruimte om extra mensen aan te nemen

Lastenverlichting

Voordelen:

  • Bedrijven maken zich aantrekkelijker in een krapper wordende arbeidsmarkt

  • Iedereen, niet alleen werkenden, kan ervan profiteren

  • Kosten voor bedrijven gaan niet omhoog, wat innovatie en investeringen kan bevorderen

Nadelen:

  • Een eventueel begrotingsoverschot kan niet worden aangewend voor verlaging van de staatsschuld.

  • Geld dat wordt besteed aan lastenverlichting kan niet worden besteed aan zorgkosten, investeringen voor economische groei, etc.

De RMU is van mening dat de werkgevers daarom aangesproken moeten worden op hun verantwoordelijkheid. Gezien het feit dat Nederland achterblijft in de stijging van loonkosten per eenheid product op de ons omringende landen en de bedrijfswinsten die in de achterliggende periode naar recordhoogte zijn gestegen, is het tijd de lonen substantieel te verhogen.
Omdat in de koopkrachtplaatjes van de overheid naast een lastenverlichting op de loon- en inkomensheffing ook gerekend is met lastenverzwaring, namelijk een hogere milieubelasting en een stijging van het lage BTW-tarief, moeten werkgevers daarom niet denken dat werknemers er met de lagere loon- en inkomensheffing wel op vooruit gaan. Om de koopkrachtplaatjes daadwerkelijk te realiseren, is een substantiële loonsverhoging noodzakelijk.
Wel moet goed gekeken worden naar de draagkracht van bedrijven/sectoren. Een verantwoorde loonstijging waarbij maatwerk uitgangspunt is, is van belang voor een gezonde ontwikkeling van de economie en de arbeidsmarkt.

Loonwens

De traditioneel vastgestelde loonruimte voor 2019 is naar verwachting 3,7 procent (1,2 procent stijging arbeidsproductiviteit en 2,5 procent inflatie). De RMU acht daarom een gedifferentieerde loonwens vanaf 3,7 procent op jaarbasis verantwoord. De RMU wijst er wel op dat maatwerk belangrijk is. Is een loonstijging vanaf 3,7 procent in een onderneming of sector onverantwoord, dan moeten we realistisch zijn en de wensen durven bij te stellen.
Naast de loonwens zet de RMU zich komend jaar opnieuw in om duurzame afspraken te maken over scholing, duurzame inzetbaarheid, innovatie, continuïteit en behoud van werkgelegenheid van de onderneming.

Jeugdlonen moeten worden afgeschaft

Een ieder die werkt heeft recht op het wettelijk minimumloon. Toch geldt er voor jongeren een veel lager minimumjeugdloon. Een 18-jarige krijgt 45 procent van het loon van een 22-jarige, wanneer ze beiden precies hetzelfde werk doen. Dit verschil is ook terug te zien in cao’s waarin jeugdschalen zijn opgenomen. De RMU pleit ervoor om de (minimum) jeugdlonen af te schaffen.
De RMU is positief gestemd over het feit dat het kabinet Rutte II de eerste voorzichtige stap heeft gezet door het afschaffen van het minimumjeugdloon voor jongeren vanaf 21 jaar. In twee stappen (per 1 juli 2017: 100% voor 22-jarigen, en per 1 juli 2019: 100% voor 21-jarigen) wordt het minimumjeugdloon opgetrokken naar het wettelijk minimumloon. Daarnaast wordt het minimumjeugdloon voor 18-, 19- en 20-jarigen in twee stappen verhoogd van respectievelijk 45,5% naar 50%, 52,5% naar 60% en 61,5% naar 80%.
Maar volgens de RMU zijn we er nog niet. Ook jongeren vanaf 18 jaar moeten in staat zijn een zelfstandig bestaan op te bouwen. Bij het hanteren van een minimumjeugdloon lijkt er sprake van discriminatie op grond van leeftijd. De RMU keurt dit af.
Overigens hebben ook ouderen baat bij het afschaffen van het minimumjeugdloon en de jeugdloonschalen in de cao’s. De ouderen worden nu immers regelmatig verdrongen door jongeren met een jeugdloon. Door de afschaffing van het jeugdloon wordt het speelveld meer gelijkwaardig.
Uiteraard is er ook een nuancering aan te brengen. Daar waar er sprake is van jongeren in een leer-werksituatie, kan er sprake zijn van een afwijkende beloning. Deze jongeren leveren nog niet het werk van hetzelfde niveau als een collega. Dit kan een verschil in beloning rechtvaardigen. Hierbij ligt echter de nadruk niet op (on)volwassenheid, maar op taakvolwassenheid.

Scholingsrecht voor medewerkers

De RMU erkent het belang van voortdurende scholing en ontwikkeling van medewerkers. Daarom stelt de RMU met tevredenheid vast dat ook het kabinet Rutte III gekozen heeft voor een individueel scholingsrecht in de plaats van een fiscale aftrekpost voor scholingskosten. Wat de RMU betreft zou dit vorm moeten krijgen middels een ontwikkelingscheque. Een dergelijke cheque met een geldigheid van bijvoorbeeld 3 jaar prikkelt een medewerker om na te denken over een te volgen loopbaan gerichte opleiding, verwacht de RMU. Bovendien zal hierdoor het levenslang leren gestimuleerd worden. Langer doorwerken vraagt om langere inzetbaarheid. Iedere Nederlander moet beseffen dat baanzekerheid tot inkomenszekerheid leidt. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de werknemer, de werkgever en de overheid.
Daarnaast heeft de RMU het voorstel om een deel van de Transitievergoeding bij ontslag, belastingvrij, te kunnen aanwenden voor scholing. Zie hiervoor Hoofdstuk 2.2 van deze Nota.

Bronnen

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/toespraken/2018/09/18/troonrede-2018

Delen