UIT DE PRAKTIJK - Je zal er maar staan...

(Een blog van een politiecollega)

Ik zie de verschrikkelijke beelden uit Oekraïne. Van mensen die alles moeten verlaten en soms, met alleen een koffertje, de grens over vluchten. De oorlog duurt nu al bijna anderhalf jaar. Op zo’n moment ben ik extra dankbaar voor mijn baan bij de politie. Ik kan me richten op die dingen waarbij ik wél kan helpen.

Zo rijd ik de straatstenen eruit om een baby van één maand oud te reanimeren. Of ik breng een jongeman thuis die te diep in het glaasje heeft gekeken. Ik help een ongelukkige meid bij het uit huis zetten van haar verslaafde vriend. Het politiewerk gaat gewoon door en de oorlog verdwijnt voor mij wat meer naar de achtergrond.

Tot ik een melding krijg van een Oekraïens gezin. Ze zijn op straat gezet door de hoofdbewoner bij wie ze verblijven. De buren bellen ongerust op, de halve huisraad staat al in de voortuin. Eerst spreek ik met de hoofdbewoner. Die deelt dronken mee dat zijn ‘gasten’ niet meer welkom zijn. In de deuropening staat een vrouw van mijn leeftijd. De wanhoop is van haar gezicht af te lezen. Ze spreekt geen woord Nederlands en vrijwel geen Engels, dus communicatie doen we via een vertaalapp. Zinnetje voor zinnetje komt eruit dat zij en haar vier kinderen, in de leeftijd van 5 tot 16 jaar, zich niet meer veilig voelen bij de man bij wie ze nu wonen. Ze weten alleen niet waar ze naartoe kunnen.

Het is inmiddels na middernacht, de twee jongste kinderen worden opgevangen door de naaste buren. Ik loop met de vrouw mee naar boven en tref een ravage van spullen aan. Deze mensen hebben hun thuisland in haast verlaten en hebben zoveel mogelijk spullen meegenomen. Kleding voor vijf personen, speelgoed voor de kinderen en bergen medicijnen.

Dan zie ik tussen alle spullen op bed een hoopje mens liggen. Een gehandicapt kind brabbelt wat. ‘My son’, zegt de vrouw als ze me ziet kijken. En op dat moment is die oorlog weer zo dichtbij. Dit had iedereen kunnen overkomen. Ik kan me er amper een voorstelling van maken: je thuisland moeten verlaten met vier kids, waaronder eentje die zwaar gehandicapt is. Je partner achter moeten laten. In een onbekend land terechtkomen waar je de taal niet spreekt en de gebruiken niet kent. Je zal er maar staan.

Na vele telefoontjes weet ik inmiddels dat er, zelfs middenin de nacht, opvang is voor hen. We pakken zoveel mogelijk spullen in en zetten dit in onze bus. De overige spullen blijven achter bij de buren. De kinderen geven de buurvrouw een dikke knuffel. In die paar maanden dat ze hier zijn, hebben ze al wat Nederlandse woordjes geleerd: een ‘dankjewel’ en ‘doei’ volgen. De buurvrouw slaat geëmotioneerd haar hand voor haar gezicht.

Terwijl we de vrouw en kinderen naar de opvanglocatie rijden, is het stil in de bus. Mijn gedachten dwalen af naar hun thuisland, niet zo ver hier vandaan. Voor hetzelfde geld was ik het die met al mijn spullen in een politiebus naar een opvanglocatie werd gebracht. Ik kan me er niets bij voorstellen hoe dit voor de vrouw moet voelen. Ik prijs me gelukkig met de rust en zekerheid in ons land. En met het feit dat ik wat voor deze mensen heb kunnen doen. Hoe klein het ook is.’

Zoals zo vaak bij politiewerk (o.a. bij ernstige verkeersongevallen, huiselijk geweld, zelfdodingen, levensdelicten, waarbij burgers / nabestaanden dringend behoefte hebben aan wat “hulp”) is ook in de bovenstaande blog Mattheüs 25:39 in de praktijk gebracht.

Bernard Koers, Secretaris sector Politie & Ambtenaren RMU

Volg ons op Instagram voor inspiratie tijdens je koffiepauze.

Volg ons: rmu.nu