Zelfstandigen zonder personeel

Dit hoofdstuk is onderdeel van de Nota Arbeidsvoorwaardenbeleid 2019.

Al jaren is de zelfstandige zonder personeel (zzp’er) aan een opmars bezig. Steeds meer werknemers nemen het besluit om hun baan op te zeggen om vervolgens als zzp’er aan de slag te gaan. Dit brengt ook hun eigen vraagstukken met zich meebrengt, komen ze steeds vaker voor op de agenda van politieke partijen en belangenorganisaties. Ook in de media is er vrijwel wekelijks aandacht voor het ‘wel en wee’ van zzp’ers.

Achtergronden

  • OESO dringt aan op sociale verzekering zzp’ers
  • Economie blijft groeien, vraag naar arbeid ook
  • Deliveroo-zaak: politiek aan zet

Economische groei

De economie groeit gestaag door. In 2017 groeide de Nederlandse economie met 3,2 procent; de hoogste groei na 2007. Hoewel het CPB stelt dat de groeipiek achter ons ligt, is de groei in 2018 met 2,5 procent nog onverminderd groot. Ook voor 2019 wordt een groei van 2,7 procent verwacht. Deze groei zorgt er voor dat de vraag naar arbeid sterk is gestegen en verder zal stijgen. In het voorjaar van 2018 verrichte het UWV een enquête onder 6.700 bedrijven over de werving van personeel. Gebleken is dat 4 op de 10 vacatures moeilijk vervulbaar zijn. Met name de ict-sector en technische en productieberoepen ervaren daarbij problemen, gevolgd door zorg- en welzijnsberoepen, agrarische beroepen en pedagogische beroepen. Tot voor kort kregen meer werknemers de behoefte om als ‘zelfstandig werkende’ de inhoud van hun arbeid zelf in te vullen en werktijden flexibel in te delen. Daarnaast proberen bedrijven als gevolg van toenemende (internationale) concurrentie hun flexibiliteit te vergroten. Het inschakelen van zzp’ers maakt deze flexibiliteit mogelijk. Ook fiscale prikkels spelen een belangrijke rol in de toename van het aantal zzp’ers.

Toenemende flexibilisering kan prima zijn indien deze het gevolg is van voorkeuren van werkgevers en opdrachtgevers enerzijds en werknemers en opdrachtnemers anderzijds. Uit een onderzoek dat enkele jaren geleden is gehouden, is gebleken dat een groot deel (80-90 procent) van de personen met een tijdelijk contract, uitzendbaan of payrollcontract een vaste baan heel belangrijk vindt. Uit dat zelfde onderzoek bleek dat slechts een kwart van de zzp’ers een vast contract belangrijk vindt. Dat neemt niet weg dat binnen de groep zzp’ers een flinke dynamiek aanwezig is. Ruim een kwart van hen heeft ook een contract in loondienst of keert daar na verloop van tijd naar terug. Dit kan het gevolg zijn van veranderende voorkeuren, maar ook van het feit dat men niet succesvol is als zzp’er. Van de startende zzp’ers is na vier jaar ruim 60 procent nog actief als ondernemer. Van de zzp’ers die stoppen (uitstromen) ging het afgelopen jaar bijna de helft aan de slag als werknemer, voornamelijk op flexibele basis. Sinds 2013 is het aantal zzp’ers dat stopt en als werknemer aan de slag ging sterker gestegen dan het aantal zzp’ers dat stopte met werken. Dit is waarschijnlijk te verklaren door het herstel van de arbeidsmarkt waardoor er een grotere kans is op het vinden van een baan als werknemer. Of de Wet DBA van invloed is geweest op deze trend is nog niet vast te stellen.

Risico’s

De groei van het aantal zzp’ers in Nederland valt op. Sinds de opmars van de zzp’ers zijn zij regelmatig onderwerp van gesprek. Betalen de zzp’ers te weinig belasting? Zijn de fiscale regelingen die ze genieten niet veel te ruim? Bouwen ze niet te weinig pensioen op? Werken ze niet in schijnconstructies? De vraag is daarom ook terecht hoe de opkomst van de zzp’er moet worden bezien in relatie tot het arbeidsrecht, de werknemersverzekeringen en de fiscale regels.

De gemiddelde zzp’er is wat betreft inkomen niet slechter af dan een werknemer, maar de spreiding binnen de groep is wel groter waardoor er relatief veel zzp’ers zijn met een laag inkomen. Dit lage inkomen wordt gecompenseerd door de lagere belasting- en premiedruk en een hogere toeslagenaanspraak waardoor het besteedbaar inkomen per saldo gelijk is aan dat van werknemers. Niet zozeer is het besteedbaar inkomen het probleem, maar wel de grote aantallen zzp’ers die zich niet verzekerd hebben tegen het risico van ziekte en arbeidsongeschiktheid en niet aanvullend sparen voor hun pensioen.

Probleem 1 – werknemersverzekeringen

Een zzp’er draagt geen premies voor werknemersverzekeringen af en hij is bij (langdurige) ziekte of arbeidsongeschiktheid niet automatisch verzekerd van inkomen. Hiervoor kan vrijwillig een verzekering afgesloten worden, maar de premies kunnen voor bepaalde categorieën zzp’ers relatief hoog zijn. Zzp’ers met een medisch verleden kunnen te maken krijgen met strengere verzekeringsvoorwaarden of kunnen zelfs helemaal geen verzekering afsluiten. Deze categorie ondernemers kan zich echter wel via het UWV verzekeren, zij het dat zij zich binnen 13 weken nadat de verplichte verzekering is afgelopen hiervoor moeten aanmelden. Daarnaast is er ook een vangnetverzekering voor zzp’ers die om medische redenen geen gewone arbeidsongeschiktheidsverzekering kunnen afsluiten. Hoewel deze vangnetverzekering een verplichte acceptatie door de verzekeraar kent, kent deze wel een slechtere dekking. Zo is het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid voor eigen risico van de ondernemer en is de hoogte van de uitkering vastgesteld op 70 procent van het minimumloon (N.B.: het minimumloon voor 2018 bedraagt 1.578,- euro bruto per maand). Volgens het CBS was in 2016 slechts een klein deel van de zzp’ers met een hoofdinkomen uit ondernemerschap verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid, namelijk 19 procent. In 2011 lag dit percentage hoger, namelijk 23 procent. De conclusie is dat er dus minder zzp’ers verzekerd zijn. Opvallend is dat de zzp’ers die zich verzekerd hebben ongeveer evenveel van hun bruto-inkomen afdragen aan premies voor arbeidsongeschiktheid als werknemers. Zzp’ers dragen 7,0 procent af en werknemers 8,1 procent. Volgens onderzoeksbureau GfK ondernemen zzp’ers weinig actie om zich in te dekken tegen financiële risico’s. Het lijkt zelfs dat veel zzp’ers geneigd zijn hun ogen te sluiten voor financiële risico’s, waaronder het niet hebben van een voorziening die inkomen garandeert bij langdurige ziekte of arbeidsongeschiktheid.

Probleem 2 – sociale zekerheidsstelsel

De forse toename van het aantal zelfstandigen brengt ook risico’s voor het sociale zekerheidsstelsel met zich mee. Door het niet verplicht afdragen van sociale premies (premies werknemersverzekeringen), dreigt het sociale stelsel ondermijnd te worden. Hoewel de zzp’er geen aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze sociale voorzieningen, is het denkbaar dat hij vroeg of laat bij de overheid zal moeten aankloppen voor financiële steun, bijvoorbeeld voor een bijstandsuitkering. Hierdoor betaalt de gemeenschap, vanuit haar maatschappelijke taak om individuen te hulp te schieten, uiteindelijk de rekening. Zo berichtte het CBS dat hij - aan de hand van de aangiftes inkomstenbelasting over het jaar 2014 - heeft vastgesteld dat 4 op de 10 zzp’ers geen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betaalt. Het is voor het eerst dat het CBS dit heeft becijferd. Nu werd al langere tijd vermoed dat dit het geval was, maar deze cijfers lijken een bevestiging daarvan. Met name partijen en organisaties die bezorgd zijn over de dreigende uitholling van het sociale zekerheidsstelsel zullen hiermee hun vermoeden bevestigd zien en zullen dit ook gebruiken om nog meer te pleiten voor hervorming van het sociale stelsel. Met de verdere groei van het aantal zzp’ers zal dit dreigende probleem alleen maar groter worden als er geen verandering komt in het sociale zekerheidsstelsel. Overigens komen de waarschuwende signalen niet alleen uit Nederland zelf. Zo heeft de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) laten weten dat zij zich zorgen maakt over de snelle groei van het aantal zzp’ers. De OESO stelt dat werkenden niet genoeg profiteren van de economische groei en wijst daarbij expliciet naar de zzp’ers. Doordat er geen minimumtarieven zijn voor zzp’ers, blijven hun lonen achter. De OESO dringt er op aan dat dit kan worden opgelost door het verschil tussen werknemers en zzp’ers te verkleinen. Heel concreet stellen ze voor om de belastingvoordelen van zzp’ers te verlagen en sociale verzekeringen in te voeren. Tegelijk adviseert zij om het ontslagrecht te versoepelen, zodat makkelijker personeel kan worden aangenomen en er minder aanleiding is om zzp’ers in te schakelen.

Probleem 3 - pensioen

Daarnaast bouwen zzp’ers niet automatisch pensioen op naast de AOW. Een verdere aanvulling zal dan ook zelf moeten worden geregeld. Over het algemeen bouwt de zelfstandig ondernemer minder pensioen op dan branchegenoten die in loondienst zijn. Dat zzp’ers te weinig pensioen opbouwen is nu ook echt aangetoond middels het rapport ‘Zelfstandigen zonder pensioen’ van Zwinkels e.a.. De conclusies van dit rapport komen er in het kort op neer dat zzp’ers vaker dan werknemers geen pensioen opbouwen ter grootte van 70 procent van het inkomen, er een grote spreiding van de pensioenopbouw is onder zzp’ers in vergelijking met werknemers en dat zzp’ers voor hun pensioen meer zijn aangewezen op vrije besparingen en vermogen dat is opgebouwd in de eigen woning. Slechts een klein deel van de zzp’ers bouwt een reserve voor de oudedag op. Dit is onder meer te wijten aan het lage ‘pensioenbewustzijn’, het idee dat de premies en kosten van een eigen pensioenvoorziening hoog uit zullen vallen en aan de vrees dat de pensioenuitkering uiteindelijk laag zal uitvallen. Het kabinet heeft in ieder geval een beperking weggenomen door te besluiten dat zzp’ers met ingang van 1 januari 2016 niet eerst hun pensioen hoeven aan te spreken voordat zij een bijstandsuitkering kunnen aanvragen (de zogenaamde vermogenstoets). De regeling geldt voor pensioenen tot 250.000 euro.

Inmiddels is er een ZZP Pensioen ontwikkeld. Deze regeling is vrijwillig van karakter en flexibel. Zo kan zelf worden bepaald wat de uitkeringsduur is en hoeveel en wanneer er premie wordt gestort. De laatste jaren klonken er geluiden over het (volledig) verplicht stellen van pensioen voor zzp’ers, maar de RMU vindt dat te ver gaan. Immers geldt er ook geen wettelijke verplichting voor werknemers en worden pensioenen op cao-niveau geregeld. Verder zouden zzp’ers het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering moeten overwegen om daarmee te voorkomen dat nabestaanden achterblijven met financiële zorgen.

Alles overziend bepleit de RMU een vergroting van het bewustzijn bij zzp’ers ten aanzien van het belang van aanvullende pensioenopbouw, het creëren van goede arbeidsomstandigheden, als ook het treffen van maatregelen in geval van arbeidsongeschiktheid.

Opdrachtgeversverklaring

De aanpak van zogenaamde schijnconstructies heeft hoge prioriteit bij de overheid. Een schijnconstructie is een constructie waarbij zzp’ers weliswaar op papier als ondernemer werkzaam zijn voor opdrachtgevers, maar waar er op basis van de feitelijke situatie eigenlijk sprake is van een arbeidsovereenkomst. Bij een dergelijke constructie vindt er geen afdracht van loonheffing plaats, heeft de zzp’er ook geen arbeidsrechtelijke bescherming als deze wordt ‘ontslagen’ en is er ook geen verzekeringsplicht. Om dergelijke schijnconstructies tegen te gaan is per 1 mei 2016 de Wet DBA (Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties) in de plaats van de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) gekomen. De wet beoogde de nodige duidelijkheid te geven over de vraag of er al dan niet sprake is van een dienstbetrekking tussen opdrachtgevers (inleners) en opdrachtnemers (zzp’ers). Maar al voor de komst van deze wet was er de nodige onrust en onzekerheid ontstaan over deze wet. Toen de wet er eenmaal was, bleek dat die onrust en onzekerheid met de dag groter werd omdat het niet duidelijk was of de tussen opdrachtgever en opdrachtnemer gemaakte contracten c.q. afspraken wel voldeden aan de wet. Hierdoor werden opdrachtgevers huiverig om met zzp’ers te werken omdat ze naheffingen vreesden. Uit peilingen bleek zelfs dat een kwart van de zzp’ers overwoog te stoppen doordat ze moeilijk aan opdrachten en aan meerdere opdrachtgevers konden komen. De grote weerstand tegen de wet (zowel bij opdrachtgevers als opdrachtnemers), heeft kabinet-Rutte III doen besluiten de Wet DBA af te schaffen en te vervangen door een nieuw systeem. Indien een opdrachtgever vooraf duidelijkheid en zekerheid of de persoon die wordt ingeleend echt ondernemer is en niet via een arbeidsovereenkomst aan hen verbonden is (en daarmee duidelijkheid en zekerheid of hij al dan niet gevrijwaard is van het betalen van loonbelasting en premies werknemersverzekeringen), kan via een webmodule van de Belastingdienst een zogenaamde Opdrachtgeversverklaring worden aangevraagd. In de webmodule zouden duidelijke vragen staan die helderheid zouden moeten verschaffen over de aard van de werkzaamheden. Met name zouden de vragen gericht zijn op het element gezagsverhouding. De Opdrachtgeversverklaring lijkt dus een variant op de VAR te zijn, met als verschil dat die door de opdrachtgever moet worden aangevraagd en dat er duidelijkere vragen worden gesteld met betrekking tot het element gezagsverhouding. De vraag is of in tegenstelling tot de VAR en de Wet DBA het nieuwe systeem het probleem van schijnzelfstandigheid echt zal kunnen aanpakken. Het is immers lastig, zo niet onmogelijk om harde criteria te bedenken die het verschil tussen ondernemers en werknemers duidelijk maken. Net als bij de VAR en de Wet DBA blijft ongewijzigd dat als de werkelijke situatie afwijkt van de antwoorden die de opdrachtgevers bij de aanvraag van de Opdrachtgeversverklaring hebben gegeven er alsnog een naheffing kan volgen. Deze onzekerheid blijft er dus voor de opdrachtgever en dat kan betekenen dat zzp’ers (ten onrechte) niet meer worden ingehuurd. En niet onbelangrijk is het capaciteitsprobleem waar de Belastingdienst tegenaan zou lopen als zij de controle daarop zouden moeten uitvoeren. Voor wat betreft dat laatste is aangekondigd dat er 50 miljoen euro extra wordt vrijgemaakt om beter toezicht te kunnen houden op onder meer schijnconstructies. Het streven is om de Opdrachtgeversverklaring per 1 januari 2020 in werking te laten treden.

Naast de invoering van de Opdrachtgeversverklaring is in het regeerakkoord ook bepaald dat er automatisch sprake is van een arbeidsovereenkomst als zzp’ers tegen een laag tarief in combinatie met een langere duur van de overeenkomst (langer dan drie maanden) werken of als zij tegen een laag tarief reguliere bedrijfsactiviteiten verrichten. Als onder dit lage tarief (“ergens tussen de 15 en 18 euro per uur”) wordt gewerkt, dan wordt aangenomen dat die persoon werknemer is en dus rechten krijgt zoals loondoorbetaling bij ziekte.

Niet alleen aan de ‘onderkant’, maar ook aan de ‘bovenkant’ van de arbeidsmarkt, wordt gekeken naar tarieven van zzp’ers. Als opdrachtgevers een zzp’er met een hoog uurtarief inhuren lopen zij geen risico op naheffingen loonbelasting en premies werknemersverzekeringen, een zogenaamde ‘opt out’. Dit zou alleen gelden voor een situatie waarbij een hoog uurtarief (hoger dan 75 euro) wordt gecombineerd met een korte duur van de overeenkomst (korter dan een jaar) en als er geen sprake is van het verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten.

Wetgever aan zet

Een treffend voorbeeld van hoe lastig het is om een arbeidsrelatie in een hokje te duwen is wel de kwestie die speelt bij Deliveroo. Deliveroo is een bedrijf waarmee maaltijden aan huis worden bezorgd door middel van fiets- en scooterkoeriers. De koeriers die voor Deliveroo bezorgen, hebben geen arbeidsovereenkomst, maar werken als zzp’er. Een van die zzp’ers was het daar niet mee eens, stelde zich op het standpunt dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst en stapte naar de kantonrechter. De rechter oordeelde afgelopen zomer dat Deliveroo in haar recht stond door alleen met zzp’ers te werken. Nu is deze kwestie op zichzelf niet heel spectaculair, ware het niet dat deze zaak niet alleen is aangespannen met het oog op het belang van de betreffende zzp’er in kwestie, maar tegelijk voor alle zzp’ers die op dezelfde of vergelijkbare wijze voor dergelijke ‘platformdiensten’ werkzaam zijn. Volgens de rechter was er een duidelijk verschil tussen de zzp’ers en het kleine aantal bezorgers dat nog in loondienst was. Echt verrassend was de uitspraak niet. Wat deze zaak wel duidelijk heeft gemaakt, is dat niet de rechterlijke macht zich over deze (of vergelijkbare) kwesties zou moeten buigen, maar juist de politiek! In het vonnis gaf de rechtbank dan ook aan dat indien het ongewenst was dat bedrijven zoals Deliveroo dergelijke overeenkomsten aanbieden, de wetgever daartegen maatregelen zou moeten treffen. Als de politiek constructies zoals bij Deliveroo niet wenselijk vindt, dan zullen ze juist meer evenwicht moeten brengen in het verouderde arbeidsrecht, iets dat de RMU ook bepleit.

Visie van de RMU

  • Bewustwording (financiële) risico’s ondernemerschap
  • Zzp’er dient buffers op te bouwen
  • Zzp’ers dienen meerdere opdrachtgevers te zoeken om risico’s te spreiden
  • Zzp’er doet er goed aan zich te specialiseren in bepaald vakgebied (onderscheidend vermogen)

Het vrije ondernemerschap staat vrijwel synoniem voor economische groei. Zo creëren bedrijven in de regel banen en werkgelegenheid. Daarom vindt de RMU dat aan ondernemers ruimte gegeven moet worden en er goede randvoorwaarden moeten gelden. Dit komt onder meer tot uitdrukking in een lagere belastingheffing voor ondernemers ten opzichte van bijvoorbeeld werknemers.

Ondernemers zullen een deel van het winstinkomen moeten gebruiken voor het doen van investeringen. Daarnaast adviseert de RMU dat ondernemers zichzelf verzekeren of reserveringen vormen voor het risico van ziekte, arbeidsongeschiktheid en financiële- en economische tegenslagen.

Omdat het behalen van winstinkomen ondernemersrisico met zich meebrengt, vindt de RMU het terecht om het winstinkomen lager te belasten dan het arbeidsinkomen. De MKB-winstvrijstelling draagt door de werking als korting op het belastingtarief bij aan deze doelstelling. Volgens de werkgroep die een interdepartementaal beleidsonderzoek naar zelfstandigen zonder personeel (IBO ZZP) deed, dragen de fiscale ondernemersfaciliteiten echter niet allemaal effectief bij aan de doelen die met deze instrumenten worden nagestreefd, namelijk het creëren van financiële ruimte voor ondernemers om zelf sociale zekerheid en pensioenvoorziening te kunnen regelen. De verschillen in regelgeving maken het voor werkenden echter wel aantrekkelijk om het werk als zzp’er aan te bieden en maken het voor een opdrachtgever interessant om de werkzaamheden door een zzp’er uit te laten voeren. Dit drukverschil roept de vraag op of de wetgever in het recente verleden wel voldoende oog heeft gehad voor een goede balans tussen de belastingdruk van zelfstandigen en werknemers.

De RMU meent dat de MKB-winstvrijstelling, de stimulering via de zelfstandigenaftrek en startersaftrek kunnen leiden tot tenminste calculerend gedrag. Sinds de VAR-verklaringen ‘winst uit onderneming’ en VAR-dga een vrijwarende werking hadden voor opdrachtgevers als het gaat om de naheffing van loonbelasting en premies werknemersverzekeringen, heeft het aantal zzp’ers een grote vlucht genomen. En calculerend gedrag heeft nu eenmaal in zich dat dit een vorm van schijnzelfstandigheid in de hand kan werken. Dit is overigens niet alleen de zzp’er toe te rekenen, maar ook de partijen die die zzp’ers inlenen. Het komt voor dat opdrachtgevers de zzp’ers ‘dwingen’ hun tarieven laag te houden en hiervoor het argument gebruiken dat zij de zelfstandigenaftrek kunnen toepassen. Dit zorgt er feitelijk voor dat de zelfstandigenaftrek in de zak van de opdrachtgever verdwijnt. Een en ander heeft tot gevolg dat een werknemer relatief duurder wordt dan het inhuren van zzp’ers.

De Wet DBA heeft het nodige stof doen opwaaien en is inmiddels van tafel. Het zal moeten blijken of de Opdrachtgeversverklaring het antwoord is op het probleem van schijnconstructies. De oplossing zal volgens de RMU vooral gezocht moeten worden in de oorzaak van het probleem, namelijk het verschil in belastingdruk voor werknemers en zelfstandigen enerzijds en het verschil tussen vast en flexibel werk anderzijds. Met andere woorden: er zal een gelijk speelveld moeten komen voor alle vormen waarin arbeid wordt aangeboden. De RMU vindt het plan om personen die tegen een te laag uurtarief werken dezelfde rechten te geven als een werknemer vooralsnog positief en hoopt dat werkgevers zich realiseren dat ook zij een verantwoordelijkheid hebben voor wat betreft het betalen van een redelijk salaris. Hopelijk leidt deze maatregel tot meer dienstverbanden en daarmee tot minder schijnconstructies.

Met de invoering van de Wet DBA werd geprobeerd om de in toenemende mate flexibiliserende arbeidsverhoudingen in een bestaand wettelijk kader te gieten dat uitgaat van de klassieke werkgever-werknemer-verhouding. De RMU meent dat het veel meer voor de hand ligt dat er een fundamentele herziening van de stelsels komt, die recht doet aan de huidige en toekomstige arbeidsmarkt, en waarbij er een gelijk speelveld gecreëerd wordt voor de vormen waarin er arbeid wordt aangeboden.

Het bewerkstelligen van een gelijk speelveld waarin arbeid wordt aangeboden, leidt ertoe dat het fiscale stelsel als ook het sociale zekerheidsstelsel zal moeten worden herzien. Met het herzien van het fiscale stelsel bepleit de RMU niet dat opeens alle ondernemersfaciliteiten afgeschaft moeten worden.

De RMU bepleit bezinning op het niveau van de huidige fiscale faciliteiten voor zelfstandigen, zoals de zelfstandigenaftrek. Hierbij zou gedacht kunnen worden aan het verlagen van het bedrag van de zelfstandigenaftrek, waarbij het bedrag van de verlaging wordt ingezet voor een hogere startersaftrek. Gedurende de eerste drie jaren vanaf de start hebben de startende zzp’ers in deze uitwerking zowel recht op de zelfstandigenaftrek als ook de hogere startersaftrek. Omdat een opstartperiode enige (financiële) onzekerheid en nieuwe aspecten met zich meebrengt, waarbij de focus gedurende de start van het zzp-bestaan veelal ligt op het verdienen van geld in plaats van het treffen van maatregelen om financiële- en arbeidsongeschiktheidsrisico’s uit te sluiten, worden startende zzp’ers op deze wijze fiscaal gefaciliteerd. Na deze startperiode van drie jaren worden zzp’ers in staat geacht om zelf in voldoende mate in inkomen te voorzien en als zodanig financieel solide geacht om voorzieningen te treffen voor onverhoopte toekomstige financiële- en arbeidsongeschiktheidsrisico’s die blijvend worden gelopen en bestaat er na de drie jaren nog recht op de toepassing van de verlaagde zelfstandigenaftrek. Een ander voorstel komt van professor P. Kavelaars, hoogleraar fiscale economie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam. Hij stelt voor om de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling af te schaffen en de arbeidskorting te splitsen in een werknemerskorting en een zelfstandigenkorting. Dat vindt de RMU een goed alternatief.

Als andere mogelijke oplossing om het sociale zekerheidsstelsel te herzien, met als doelstelling om de uitholling hiervan tegen te gaan, stelt de RMU de invoering van een inkomensverzekering voor, een vorm van een volksverzekering, voor een ieder die arbeid verricht, ongeacht of iemand in loondienst is of als zzp’er werkzaamheden verricht. Ter voorkoming dat er een nieuwe loot aan de collectiviteitsstam wordt toegevoegd zou hierbij gedacht kunnen worden aan de introductie van een spaarsysteem middels individuele geblokkeerde spaarrekeningen voor kortdurende arbeidsongeschiktheid of werkloosheid, en een premiesysteem voor langdurige arbeidsongeschiktheid of werkloosheid. Een proef met een verplichte zzp-verzekering, zoals begin dit jaar voorgesteld door de heer Camps, kan op bijval van de RMU rekenen. Het idee achter deze zzp-verzekering is dat een zzp’er verplicht verzekerd is, tenzij hij aangeeft dat niet te willen. Aan de hand van deze proef zou mogelijk duidelijk worden rond welke inkomensgrens zzp’ers afzien van een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

De RMU is van mening dat bij de herziening van het fiscale- en het sociale zekerheidsstelsel het totaalpakket aan maatregelen gericht moet zijn op het bestrijden van schijnzelfstandigheid, het aantrekkelijker maken van werkgeverschap, het verlagen van de lasten op arbeid en het bieden van een toegankelijke bescherming voor zzp’ers met als hoofddoel dat er een gelijk speelveld gecreëerd wordt.

Volgens de RMU gaat een volledige verplichtstelling voor zzp’ers wat betreft het opbouwen van pensioen te ver, temeer omdat voor werknemers ook geen algemene wettelijke pensioenplicht geldt. Een tussenoplossing zou kunnen zijn dat deelname aan bijvoorbeeld ZZP Pensioen leidt tot een verplichte minimale opbouw, met keuzevrijheid voor eventueel een hogere inleg. Hiermee zal de inkomensdaling na het bereiken van het pensioen minder groot zijn. Met dit idee worden zzp’ers meer tegen zichzelf beschermd zonder dat er een volledige wettelijke pensioenplicht wordt opgelegd. Zzp’ers dienen bewust te kiezen of ze wel of niet een overlijdensrisicoverzekering afsluiten, om te voorkomen dat de partner (en eventuele kinderen) achterblijven met financiële zorgen. Ondernemerschap is een keuze voor eigen verantwoordelijkheid, ook voor wat betreft het wel of niet verzekeren van risico’s. Als het gaat om de groep die zich niet verzekert, gaat het in veel gevallen om een bewuste keuze. Bijvoorbeeld wegens gewetensbezwaren, voldoende eigen vermogen of een partner met inkomen.

Daarnaast is er een groep ondernemers die zich onvoldoende bewust is van de risico’s van het onverzekerd zijn. Voor deze groep pleit de RMU voor meer bewustwording op dit gebied. Wat de RMU betreft is daar ook een belangrijke rol weggelegd voor brancheorganisaties of de Kamer van Koophandel om bewustwording te bevorderen. Hiertoe vindt de RMU het positief dat uit de kabinetsreactie op het IBO ZZP volgt dat het kabinet zich inzet om zzp’ers te faciliteren, voor te lichten en te ondersteunen bij het organiseren van hun eigen bescherming.

Met de toename van het aantal zzp’ers wordt het moeilijker om je te onderscheiden als zzp’er. Zeker als het gaat om zzp’ers met zogenaamde ‘generieke’ (algemene) vaardigheden. De RMU raadt ondernemers aan om zich naast of in plaats van deze algemene vaardigheden te specialiseren. Dit omdat opdrachtgevers juist op zoek zijn naar het specialisme dat zij zelf niet in huis hebben. Met het oog op het grote gebrek aan technisch geschoold personeel is dit een kans die de zzp’er zeker moet benutten.

Ondernemers doen het liefst datgene dat ze het leukste vinden, namelijk hun vak uitoefenen. Niet zelden is er weinig of geen aandacht voor de hele ‘papierwinkel’ er om heen, zoals het vastleggen van afspraken of het hebben van goede algemene voorwaarden. Ondernemers die dit niet goed hebben geregeld, lopen een groter (financieel) risico bij zakelijke geschillen. Het is te begrijpen dat ondernemers niet altijd tijd en aandacht voor deze zaken hebben, maar ‘je zaakjes’ op orde hebben kan narigheid voorkomen. Reden voor de RMU om startende ondernemers te ondersteunen.

Delen